‘De Ballade van Zes Alpha’

Schoolherinneringen tijdens WO II

De oorlogsdagboekjes van mijn moeder Adri Oosten (1926-1990), later Aad Knuttel-Oosten, lagen vanaf 1990 bij mij ongelezen in een kast, om ‘ooit’ te bekijken; het niet al te makkelijk leesbare handschrift werkte niet bepaald uitnodigend. Pas begin dit jaar waagde ik, jongste dochter van Aad, een poging en heb vervolgens het geheel getranscribeerd tot tachtig pagina’s A4, een schokkende maar ook een bijzondere en ontroerende ervaring. Wat had mijn moeder weinig over de oorlog aan ons als kinderen verteld, ongetwijfeld een herkenbaar beeld voor velen van onze naoorlogse generatie. Dit artikel met dagboekfragmenten geeft een indruk van de betekenis van het Erasmiaans voor mijn moeder in oorlogstijd.

Gym-manieren!
Adri is 14 jaar als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Wonend in Rotterdam gaat ze na de lagere school naar het Rotterdamsch Meisjeslyceum Bond aan de Witte de Withstraat, waar ze op de gymnasiumafdeling terechtkomt. Haar heimelijke verliefdheid op David Mees, in de dagboekjes aangeduid met ‘D.’, vormt voor haar de aanleiding om in december 1940 een dagboek te beginnen. Adri vertrouwt haar gevoelens en verlangens toe aan de kleinst mogelijke blocnotes, waarin ze niet alleen schrijft over verliefdheid en onzekerheid, maar ook over haar schoolbelevenissen. Haar zoektocht naar hoe je je staande houdt in de barre oorlogsomstandigheden leidt tot eindeloze herhalingen om zichzelf moed in te praten.
Als in 1942 het voor haar vertrouwde Meisjeslyceum aan de Witte de With wordt opgeheven, verhuist de gymnasiumafdeling van die school naar het Erasmiaans.
Het schoolgebouw aan de Wytemaweg is dan inmiddels gevorderd door de Duitse Marine, waardoor leerlingen op verschillende locaties in de stad les krijgen: de locatie West, een villa aan de Mathenesserlaan 435, op de hoek van de Gerrit Jan Mulderstraat en locatie Oost, een schoolgebouw aan de Vredehofweg 30. De rector van het Erasmiaans is inmiddels onder toezicht gesteld van de NSB.
Adri gaat na de zomervakantie naar de 5de klas. 2 september 1942: ‘De school is begonnen. Ik ben gymnasiaste geworden! In een herenhuis op de Math. laan. Els [Hoesen] zit in Kralingen. Dat spijt me vreselijk maar was te voorzien. Onze vriendschap was nu juist tot zoiets goeds en fijns gegroeid. Maar ja, zo zijn er meer dingen, die tegenwoordig neergehaald worden. Dit hoeft natuurlijk niet, maar we zullen elkaar nu niet zo dikwijls meer zien. Mijn nieuwe klas lijkt aardig. De ontvangst der docenten was minder hartelijk. We moesten meteen beginnen, terwijl we nog van niets wisten. Echt gym-manieren!’

Plutocratenzoontjes
Al valt het wennen zwaar, de oorlogsomstandigheden overschaduwen alles en worden steeds indringender. Op dinsdag 9 februari 1943 beschrijft Adri hoe de schooljongens van 17 jaar en ouder worden weggehaald.
10 februari 1943: ‘O, hoe kan het zijn? Het is een strafmaatregel voor Seyffardt. In Vught zijn ze bijeengebracht. […]. Ik wou dat ik iets doen kon voor D. en voor allen. Van dit nietsdoen word je razend. Je zit maar op school of er niets aan de hand is, maar ondertussen. Vreselijk is het. Als ik D. nu maar eens kon schrijven of spreken, maar daartoe is weinig kans. Kop op! En moed gehouden!
De NSB-er Hendrik Seyffardt werd eerder die week door twee studenten uit een verzetsgroep op klaarlichte dag doodgeschoten. Onder leiding van de Rotterdamse NSB-burgemeester Müller wordt een plan gesmeed om als represaille voor de dood van Seyffardt ‘plutocratenzoontjes’ op te pakken. Er worden lijsten samengesteld en op 9 februari worden 163 jongens uit vooraanstaande families opgepakt, zodat die ‘ook eens leren wat werken is’. Jongens, vaak in hun eindexamenjaar van de HBS, het Lyceum en het Erasmiaans worden van hun bed gelicht.
12 februari ’43: ‘Vandaag zijn alle jongens onder de 18 vrijgekomen. 18 en ouder onzeker. Soms wel soms niet. Omstandigheden ellendig in V.[ught]. Geruchten voor ons bedaard. Tussen hoop en vrees geslingerd over D. Wat moet er gedaan worden. Gisteren met 3 meisjes op school, vandaag met 5. Morgen zullen we misschien weer compleet zijn. Ikzelf ben steeds geweest. […] Ofschoon het oppikken wat geluwd is, is iedereen nog in een angstige stemming. De bal is aan het rollen, wat zal er nog gebeuren!’
Veel lessen vallen uit. 29 maart ’43: ‘Mijn rapport valt misschien nog wel een beetje mee. Vanmorgen Tacitus vertaling van de rector. Hij was o wonder, ontzettend aardig en voor ik begon klopte hij bij wijze van zegen me vriendelijk op mijn schouder. Ik hoop dat het geholpen heeft. Dolgraag zou ik nu eindelijk eens in de klas willen. Met Roggetje [Roggeveen] wordt het ontzettend vervelend.’

Uitdijend heelal en spiraalnevels
Tussen alle kleine, alledaagse schoolperikelen is de oorlog alom aanwezig; het wegvoeren van de Joden, razzia’s en verdwaalde geallieerde bombardementen, die voor de havens zijn bedoeld, maar veelal in woonwijken terechtkomen.
22 april ’43: ‘Vandaag zijn alle Isr. naar Vught gegaan. Vanmiddag ben ik aan den trein geweest. Het was vreselijk. Je mocht er niet bij en kon alleen maar zwaaien vanaf het andere perron. Een flinke man die steeds huilde, een jongen die roerend afscheid nam van zijn meisje. O, dit alles vergeet je nooit. Tenslotte zag ik de Levies die erg verrast waren me te zien. Verder nog de Staals. Op het uiterste puntje van het perron hebben we nog staan zwaaien naar mensen die zich vrijwillig in gevangenschap begaven. O, zoals de trein voorbij trok met al die wanhopige mensen. Dit is om nooit te vergeten of te vergeven. Moge God met hen allen zijn.’
6 Mei ’43: ‘[…] Op school is het vervelend. Iedereen is met zijn gedachten ergens anders, zowel docenten als leerlingen. […] De rector is weer erg koel onachtzaam en ontzettend vervelend. Je hebt op die man gewoon geen vat. En als bij al die nare dingen dan ook nog de Griekse lessen van Roggeveen komen, is het helemaal om razend te worden. Dan zeg ik weer: Wat doet het er eigenlijk toe.’
Op school zet Adri alle zeilen bij. Ondanks de vele beperkingen is er ruimte voor een uitje naar het planetarium, ‘erg indrukwekkend en mooi. Alleen over het uitdijend heelal en die spiraalnevels begreep ik niet goed’, is er opnieuw de dreiging dat jongens worden weggevoerd.
24 juni ’43: ‘Ik werk en werk en werk… met slechte resultaten. Ik denk dat ik dit jaar de kaap niet haal. Stereo, Grieks en misschien Frans onvoldoende. O bah, als bij al die ellendige dingen ook een keer blijven zitten moet komen.
Op de laatste schooldag wordt uit Pallieter van Felix Timmermans voorgelezen, ze geniet met volle teugen. Vervolgens is de opluchting is groot als ze te horen krijgt dat ze over is, al heeft ze een taak voor Grieks.
De promotie vindt Adri ‘meer dan belachelijk. De rector zei met uitgestreken gezicht dat we over waren en dat hij wel vond, hoor hem, dat de Lyceisten [onder wie Adri dus] hard gewerkt hadden. Vervolgens kregen we de rapporten en werden verzocht te verdwijnen. Er zat nu net niets bij. Enfin, het is volkomen typerend voor het hele jaar, dat ik nu op het Gym heb doorgebracht.
Er is een aanval op Sicilië begonnen. Zou dit nu werkelijk het begin van het einde zijn op korte termijn? Het is wel zeer hoog nodig.’

Erg Kralings
Als haar taak voor Grieks is volbracht begint na de vakantie het nieuwe schoolseizoen. 14 september ’43: ‘Ik zit alweer een paar dagen op school, VIde! Soms gaat het wel goed b.v. bij Grieks, maar Latijn is vreselijk. Zo even nog heeft Kampstra me grammaticaal weer eens helemaal uitgekleed. Echt flauw omdat hij weet dat hij je daarmee kan dood gooien. Het werkt zo ontzettend deprimerend. Toch wil ik me door hem niet laten “kisten”. We zullen eens zien of ik dat in orde kan krijgen. De klas is nu wel erg leuk, maar erg Kralings. Enfin, ik hoop dat het toch goed zal gaan.
Op 26 oktober volgt dan weer een domper: ‘Vanmorgen een vreselijk slechte Homerusvert. teruggekregen. Naar aanleiding daarvan vroeg ik aan v.d. Velde wat ik eraan moest doen. “Wachten”, zei hij. “Jullie (lyceïsten) horen hier nu eenmaal niet. De school heeft de verantwoordelijkheid nu op zich genomen, dus misschien wordt er ook iets aan gedaan.” […] Bah, je zou er zo de brui aan willen geven. Maar ja, zo kom je er ook niet.
Tussen de bedrijven door probeert Adri zich een beeld te vormen van haar toekomst, na het examen. 15 januari ’44: ‘Ik weet het niet. […] Eigenlijk zou je, om je keus te kunnen bepalen eerst moeten weten wat “leven” eigenlijk is, het doel, de bedoeling daarvan. En dan in die lijn iets doen. Maar dat is zo ontzettend moeilijk, bijna niet te benaderen.’
Belangrijk en fijn zijn de toneelstukken die op school worden ingestudeerd en uitgevoerd. Zo geniet Adri in het Odeon aan de Gouvernestraat op 29 januari ’43 van het blijspel ‘Hotelratten’, waarbij klasgenoot Hans Dijkers tussen de bedrijven door stukken uit Carmen op de piano speelt. Dat een ‘lyceummeisje’ ook wel eens complimenten krijgt, blijkt uit de getuigenis van curator Burgerhout, juli ’44, in een Résumé over dat schooljaar: ‘Deze middag-uitvoering is zeer geslaagd. Een der meisjes van het lyceum toonde zich een geboren actrice […] Op dit feest voelden leerlingen en leraren zich weer nauw verbonden East and West ontmoetten hierbij elkaar weer, zij het dan ook in het sjofele Odeon’.

De Ballade van zes alpha
1 maart ’44: ‘Vandaag hadden we een stereo proefwerk. Na erg lang te hebben getwijfeld, heb ik Lewis [Suermondt] gevraagd of hij mij misschien wat zou willen helpen. Hij zei dat hij het graag wou doen. Ik ben aan de ene kant erg blij dat ik het gedaan heb, want hij heeft me reuze fijn geholpen, heel gewoon, echt fijn. Toen hij wegging bleek dat hij wist dat ik voor mijn Vergilius vertaling voldoende had. Dat was erg leuk voor mij. En de andere kant vind ik het niet zo prettig, omdat ik weet of in ieder geval geloof, dat ik hem niet zomaar met het een of ander zou kunnen helpen. Dat zou ik toch zo dolgraag willen.’
Er zijn veel zieken op school, geregeld bestaat de klas uit minder dan tien leerlingen.  Maar ziekte is niet altijd de reden van afwezigheid. Zo blijkt dat Lewis onverwacht naar de Hollandsche Landbouwschool in Deventer is gegaan, omdat hij als jongen daar veiliger onderdak heeft dan in Rotterdam.
Intussen vallen er nogal wat onvoldoendes en stelt Adri alles in het werk om ‘de kaap te halen’.
En tussen dat werken door is er ook nog wel een feestje, zoals op zaterdag 22 april, bij Jan van Leeuwen thuis: ‘Het was een enig feest. We hebben elkaar verhalen voorgelezen of het een of ander voorgedragen, muziek gemaakt, gezongen, gepraat. Iets heel bijzonders was Hayo met zijn saxophoon, een sopraansax. We hebben er ontzettend om gelachen.’
Voor de gelegenheid heeft Jan van Leeuwen ‘De Ballade van Zes alpha’ geschreven:

Wat was voor ons een week? Wat was voor ons de tijd?
Wat bekommerden wij ons om ’s werelds grootste strijd
De aardkorst dreunde om ons heen
Voor ons was er 6α slechts alleen
Vliegtuig geronk, bombarderen werd gehoord
Maar 6α werkte voort!


Ja, eens trof ons allen een vreselijk gerucht
Een onzer voerden ze naar Vught
Voor deez’ gedachte zijn wij toen bewaard
Neen, 6α was niet het enigst’ op aard’
Maar hoeveel mensen er werden vermoord.
6α werkte voort!


Maanden kwamen, maanden gingen voorbij
Wij kenden nog slechts een machtwoord: “d’r bij!”
Wij hoopten dat ons zwoegen eens werd beloond
Door een goede uitslag zou worden bekroond
Xerxes Augustus Napoleon enzovoort
6α werkte voort!

En zo lang deze wereld nog mag bestaan
Durven wij allen ons werk nog aan
Wij zullen lachen, maar ook strijden
6α overwint ook deze tijden
Voor ons geldt ook nu nog dit ene woord
6α werkt nog voort!

Jan van Leeuwen

Limonade aan de Plas
En als op 13 mei de laatste schooldag is geweest trekt Zes alpha, in afwachting van het examen, erop uit: ‘Vandaag hebben we de laatste schooldag gehad. Zal het werkelijk de laatste zijn?…
We zijn met de hele klas (de jongens verkleed) er de hele morgen op uitgetrokken. De rector heeft het erg onsportief behandeld en heeft ons toen we om half 11 naar school kwamen weggestuurd. Toen zijn we limonade gaan drinken aan de Plas, reuze gezellig. Soms waren Dien [Kooiman] en Hayo [
de Boer] weleens een beetje grof, maar het was toch erg leuk. Later zijn we naar school gegaan, om een uur en hebben de leraren toegezongen. Kampstra lachte wiens caricatuur we voor ons uitdroegen! Alleen directeur kwam niet voor de draad. Toen zijn we naar v.d. Velde gegaan met de tram, maar deze was er in het geheel niet van gediend en was woedend. Belachelijk gewoon. Ik ben benieuwd wat er maandag zal gebeuren als we voor gesch. nog naar school moeten. De hele morgen liepen we gearmd om en om met de jongens op grote rijen. Tenslotte bleven Rudy [Fockens] en ik alleen over, die me gearmd en wel naar huis gebracht heeft. Dat was vreselijk leuk.
De feestvreugde wordt flink getemperd als na weken van hard blokken dan toch op 6 juni blijkt uit te komen waar Adri zo bang voor was: ‘Ik ben gezakt; het is dan toch gebeurd. O, wat is het vreselijk. Het ergste vind ik om weer een jaar op dat gym te zitten met vreemde kinderen die mij niet kennen en die me ook niet aangaan. Verder vind ik het ellendig voor Lewis, Rudy, die zelf ook gezakt is, en voor iedereen, vader en moeder. Vreselijk. […] Het enige is dat ik nu volgend jaar niet zo reikhalzend hoef te werken, zo ontzettend hard, zodat ik mezelf kan ontwikkelen en trachten door al die dingen beter uit te groeien want door alleen maar te ploeteren word je geen mens. Ik ben gezakt op 5 1/3 voor Grieks, met op het kantje dus.’
Dat het zo op het nippertje is maakt het moeilijk verteerbaar.

Harde ploffen en dreunen
Als het nieuwe schooljaar voor haar ligt, is het voor Adri opnieuw wennen geblazen in een nieuwe groep. Bovendien ontstaat er steeds meer schaarste op alle fronten, in de voedselvoorziening, in de telefoonverbindingen, trein- en tramverkeer. Dat laatste is een reuzestrop, want: ‘fietsen kun je vanwege het vorderen ook niet meer. Enfin, waarschijnlijk nog maar een paar dagen. Op school is het nog erg onwennig, net of ik er niet bij hoor, Alleen als gast of zo. Er zijn wel leuke kinderen bij zoals Lot v.d. Pot maar over het algemeen nog erg klein. Ik voel tenminste een enorme afstand.’
27 september ’44: ‘Ik ben sinds Maandag niet meer op school vanwege de toestand. De trams rijden slechts tot 10 uur dus ik zou aldoor terug moeten lopen. Bovendien steek je op school toch niets op nu, en zijn er slechts 7 meisjes van de hele klas (28). Nu heb ik het dus maar opgegeven, vooral ook omdat ik een cursusje kan volgen in verband met de naoorlogse toestand. Verder werk ik wat thuis. De strijd vordert slechts langzaam en staat bij Arnhem, waar vreselijk gevochten is, helemaal stil. Intussen laten ze hier alle kranen, pakhuizen en kaden springen. Aldoor hoor je harde ploffen en dreunen. Zo gaat nu onze hele haveninstallatie eraan. Vader vermagert op het ogenblik zienderogen en daar doet dit laatste niet veel goed aan.’
De cursus die Adri volgt is er eentje als helpster van het Rode Kruis. Dit is goed te combineren met haar doublurejaar en het geeft het gevoel dat ze zich nuttig kan maken. Intussen is er ook veel oorlogsgeweld om haar heen, 25 oktober ’44: ‘Gisteren zijn vele mensen doodgeschoten. Hun lijken bleven op straat liggen. Vanmorgen heb ik er ook een paar gezien. Vreselijk, ik was er helemaal van in de war. Is dit nu ook volgens Gods wil?… Ik kan het niet aanvaarden hoe zo iets mogelijk is.
En op 1 november ’44: ‘Op school is het vreselijk vervelend. Het is nu 1 Nov. en nog geen verwarming. Verschrikkelijk koud! Nu we ’s avonds om half tien in bed moeten liggen vanwege de electriciteit kom ik eigenlijk tijd tekort. Wel sta ik steeds om 6 uur op. Vanmiddag moet ik examen doen voor rode kruis helpster. Griezelig. Ik zal blij zijn als het voorbij is. Ik krijg dan weer wat meer tijd.’
De situatie voor de jongens wordt steeds moeilijker en gevaarlijker en de voedselvoorziening benarder; de hongerwinter dient zich aan. Ook al probeert Adri lichtpuntjes te zien, bijvoorbeeld in de bijlessen in Plato en Tacitus die ze twee keer in de week geeft aan Peter Mees, de jongere broer van D., ze voelt ook hoe ze afstompt en hoe moeilijk het is om alles vol te houden.
11 maart ’45: ‘Alweer hebben we aan den lijve gemerkt, hoe licht er met mensenlevens omgesprongen wordt. 20 mensen werden vanmorgen gefusilleerd in het openbaar op de Coolsingel, om daar enige tijd met een smadend bordje te blijven liggen. Dit alles voor de moord op één Duitser. Vreselijk, vreselijk.’
Ze probeert troost te vinden in een tekst over ‘Gemoedsrust’ van Horatius.

Vijf fatale schoten
Als Nederland dan eindelijk is bevrijd op 5 mei, hetgeen op een heel verwarrende en chaotische manier ook een dag later in Rotterdam het geval is, schrijft Adri op 6 mei 1945:
‘Sinds een week precies is alles aan het ineenstorten en vandaag is ook voor R’dam de capitulatie afgekondigd. Het heeft zich zo toegedragen: verleden week zondag na besprekingen vooraf, zijn Engelse en Am. begonnen levensmiddelen per vliegtuig naar onze provincies te brengen. Heel laag vlogen ze over en groetten, telkens nieuwe, honderden achtereen. Het was een reuze evenement. Allemaal stonden we op de daken te juichen en te zwaaien. Daarna kwamen ook schepen v. Engelsen door en auto’s uit het reeds bevrijde gebied met levensmiddelen voor de hongerden. Het was het begin van de redding. Toch hebben we nog de hele week in afwachtende spanning gezeten. Berlijn viel, er gebeurde niets, Hitler “sneuvelde”, alles bleef rustig, Mussolini werd gefusilleerd, het een volgde het andere op.
Tot Vrijdagavond de capitulatie werd afgekondigd voor Nederland, Denemarken en het hele z.g. Westelijke front. ’s Morgens om 8 uur zou het ingaan, Zaterdag 5 Mei. Helaas de Engelsen konden niet doorstoten, de Duitsers in Rotterdam en Dordt wilden zich niet overgeven en gingen met des te wilder wapengeweld tekeer, nu ze wisten dat het feitelijk toch voor hen was afgelopen.
Een van de vele slachtoffers die gisteren gevallen zijn, is ook David. O God, het is vreselijk. Wat voor een onverlaat de Duitser geweest is die dat gedaan heeft, weet ik niet, maar de euvele moed had hij om 5 schoten op hem te lossen. David was bezig het prikkeldraad uit zijn tuin weg te halen, heeft nog gevochten en is daarna op zijn vlucht neergeschoten.
O, ik kan het me nog niet goed realiseren dat David weg is, dood, helemaal uit het leven.’
Hoewel ze probeert het verlies van David op te vatten in het geheel van kommer en leed, valt het haar heel zwaar en kan ze niet de vreugde en blijdschap van de bevrijding voelen.

Tegenwicht tegen verruwing
Pas een maand na de bevrijding lijkt pas echt duidelijk te worden welke gruwelijkheden tijdens de oorlog zich in de concentratiekampen hebben afgespeeld. Op 7 juni ’45 schrijft Adri:
‘Vanavond stonden er vreselijke berichten in de krant: van de 140.000 Joden die voor de oorlog in ons land waren, zijn er nog 20.000 in leven. O God, hoe is het mogelijk. In speciale “Vernichtungslager” zijn ze afgemaakt. Vreselijk is het. […] Verder stond er dat er zeer spoedig 500.000 man voor Indië en Duitsland onder de wapenen zullen zijn. Als ik eraan denk, kan ik wel een beetje gaan zitten huilen. Lewis zal ook gaan, voor zover zijn lichamelijke toestand het zal toelaten tenminste. Van de week was ik bij hem. Hij was nog erg slap en zag er slecht uit. Ik heb reuze fijn met hem gepraat en hij beloofde eens naar me toe te komen. Ik moet er niet aan denken, dat hij ook zou moeten gaan vechten. En afgezien van Lewis, dat alle mannen en jongens die nu net uit Duitsland komen en nu de oorlog in zullen gaan. O, ellendig vind ik het. Als Japan het toch maar eens voor die tijd zou opgeven, over een paar maanden of zo. God geve onze jongens kracht en geloof in deze moeilijke tijd en een tegenwicht tegen deze vreselijke verruwing, zodat ze niet zonder idealen en geknakt terugkomen voor hun leven.’

Geen examen en toch een diploma
In aanloop naar het einde van het schooljaar heerst er veel onduidelijkheid over het examen.  Komt er wel een examen of niet? Er zijn al zoveel lessen uitgevallen en in de roerige dagen rond de bevrijding  wordt de onzekerheid alleen maar groter. Maar dan eindelijk komt het bericht dat bij Koninklijk Besluit is bepaald dat alle eindexamenkandidaten van het schooljaar ’44-’45 hun diploma zonder examen zullen ontvangen, tenzij kan worden aangetoond dat zij banden met de bezetter hadden onderhouden. 13 juni 1945: ‘Gisteren was het voor mij wel een heel bijzondere dag. ’s Middags kwam Rudy Fockens bij me, die vanaf 11 november in Duitsland had gezeten. Ik heb leuk met hem gepraat. Hij gaat medicijnen studeren en heeft een vaste wil gekregen. Toen we zo zaten te praten zei hij opeens: ik feliciteer je, je bent geslaagd. Er komen geen eindexamens, jullie krijgen zo je diploma! En het is waar! Heerlijk is het er nu in enkele weken vanaf te zijn. […] Zo is er dan wel ineens veel veranderd en ik kan me van dat eindexamen vooral nog haast niet voorstellen. Ik ga nu een heel nieuw leven tegemoet. Gisteren kreeg ik een oproep van Eudokia, om daar te komen werken als Rode kruis hulp. Dat ga ik dan eerst een maand ongeveer doen. Misschien later dan nog naar een vacantie kinderhuis ergens buiten. En dan de studie. Eerst moet ik daar nog eens grondig inlichtingen over krijgen. Dat zal ik nog wel zien.’

En daarmee eindigt dit verhaal. Adri gaat uiteindelijk naar de School voor Maatschappelijk Werk in Amsterdam en komt in een klas met uitsluitend meisjes van gymnasia! En al speelt het grote verdriet om de dood van David een enorme rol in haar leven, trouwt ze in 1950 met mijn vader. En kan ik nu dus dit verhaal tachtig jaar later doorvertellen: een verhaal over het schoolleven in oorlogstijd beleefd door een puber op zoek naar waarden en relaties die het leven de moeite waard maken.

Elseline Knuttel, september 2025

Bronnen

Oorlogsdagboekjes Adri Oosten, 1940-1945
Oostendorp, J.J. van en A. Schram Ouweneel (red.) (2003). Het Erasmiaans Gymnasium in de Tweede Wereldoorlog. Herinneringen van oud-leerlingen. Semper Floreat / Rijswijk, Elmar.
Pauw, J.L. van der (2006). Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog. Amsterdam, Boom.

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Afscheidsinterview met rectrix Bovenberg

Nu Bouwien Bovenberg met pensioen gaat, besloot redactrice Rosalie Boddé om samen terug te blikken op haar tijd als docente klassieke talen, jaarleidster en rectrix. Ondanks dat ze het moeilijk vindt de school te verlaten, is ze blij om het stokje over te kunnen dragen aan de volgende generatie.

“U gaat met pensioen! Hoe gaat het met u?”

“Het gaat goed met mij, ondanks dat mijn tijd op het Erasmiaans langzamerhand afloopt. Ik neem nooit graag afscheid.”

“Wat vindt u moeilijk aan afscheid nemen van het Erasmiaans?”

“Het gaat om afscheid nemen van alles wat je samen doet. Met alle collega’s, alle leerlingen…”

“U had het in ons voorgesprek over een dubbel gevoel. Kunt u dat toelichten?”

“Ja, een dubbel gevoel, maar dat vind ik lastig om uit te leggen. Dat het ook een soort schuldgevoel is, van “je stopt”. Dat is de keerzijde van een verantwoordelijkheidsgevoel. Schuld misschien wel naar de samenleving dat je stopt, naar de school, terwijl: die school die draait prima door zonder mij, dat is het helemaal niet. Of een schuldgevoel naar jezelf. Onverklaarbaar…

Het is ook dat ik denk dat de school echt moet verjongen. We hebben best een grote groep docenten op leeftijd, maar we zitten ook in een tijdperk dat niet meer voor alles mensen te vinden zijn… Zolang we ze nu binnen kunnen halen moeten we dat doen. Nieuw talent, dat brengt weer een frisse wind en dat is goed.”

“Zou u dan zeggen dat u ouderwets bent?”

“Nee, maar er verandert natuurlijk heel veel in de maatschappij. Ook alle jonge mensen die nu opgeleid worden, worden op een heel andere manier opgeleid en dat is leuk om te zien. En die hebben weer kwaliteiten waar ik misschien wel jaloers op ben.”

“Mensen hebben het natuurlijk altijd over “die goeie ouwe tijd”…”

“Dat zeg ik niet hoor, dat het vroeger allemaal beter was, want je gaat mee met je tijd en elk kind mag zijn wie hij is. Je gaat met ze mee en als je iedereen ziet dan kan je er ook uit halen wat er in zit. Dan zie je ook: hé, daar zitten talenten, daar kunnen we mee verder! Dat helpt hem of haar ook weer, dat maakt het makkelijker.”

“Welke positieve én negatieve veranderingen heeft u de afgelopen twintig jaar meegemaakt op school?”

“Noch positief, noch negatief. Het is een nieuwe generatie, het is gewoon anders. Ook weer met zijn hele mooie kanten. Op een andere manier in het leven staan en naar dingen kijken. maar het is soms ook moeilijker. In de tijd van de mobieltjes, en de “het moet maar altijd goed zijn en fantastisch zijn”-tijd. En als ik niet zo ben als op dat filmpje, dan ben ik vast minder. Dat is helemaal niet zo, dat vind ik jammer. Daarom wil ik ook zo graag van de mobieltjes af in de school. De bewustwording van het feit dat je ook goed bent zonder al die onzin.”

“Welke verantwoordelijkheid voelde u daarin?”

“Je probeert daar een rol in te spelen als je de persoonlijke gesprekken hebt met de mensen. Het draait daar helemaal niet om. Het draait niet om het succes van een ander of hoe mooi een ander is, het draait om jou. En om wat er in jou zit, jouw inborst.”

“Ik moet meteen denken aan ons motto: ex pluribus unum (vert: uit velen, één). Heeft dat invloed gehad op uw rol als docent en als rectrix?”

“Dat motto, niet perse, want dat zit gewoon in je. Ook als het motto er niet was geweest, dan is het je persoon om op die manier om te gaan met je collega’s en je kinderen. Ik vind het wel heel mooi, maar het zit al wel in mij. Uiteindelijk is het ook het gevoel dat je het samen doet, met z’n allen, met elkaar, om er zo voor te zorgen dat zoveel mogelijk mensen een gelukkige schoolcarrière hebben. Ik kan het niet voor iedereen goed doen. Je raakt mensen kwijt, en daarin moet je altijd kijken, hebben we genoeg voor de leerling gedaan, of hadden we dingen anders kunnen doen? Soms denk je misschien ook wel, hadden we het anders wel gered? Dat kun je niet met zekerheid zeggen, maar ik ben wel iemand die het altijd blijft proberen tot het laatst.”

“Een echte doorzetter, dus?”

“Ja een echte doorzetter. Je kunt soms kinderen met wie het minder goed gaat ook helpen door iets anders voor ze te zoeken om erbij te gaan doen. “Hé, zou je dat leuk vinden binnen de school om te doen?”, waardoor er ineens helemaal weer een groei komt. Dan gaat een kind op een andere manier bloeien, waardoor hij de rest ook weer beter oppakt. Dat geloof ik ook bij de talenten van kinderen die topsporters zijn, of topmuzikanten, die doen twee dingen heel erg goed. Dat komt omdat ze het éen misschien nog wel iets leuker vinden dat het ander, maar ze willen het beide op hoog niveau doen.”

“Hoe bent u eigenlijk op het Erasmiaans terecht gekomen?”

“Wij kwamen in Rotterdam wonen en toen ben ik gaan werken op het Emmaus en op het Libanon. Aan het eind van het jaar kon ik een keuze maken tussen de twee, en toen heb ik het Emmaus gekozen. Daar heb ik een heel leuke tijd gehad, maar ik kreeg ook elk jaar de vraag van het Erasmiaans: “Wil je niet hier komen werken?”. En ik dacht, waarom zou ik dat doen? Ik heb het op het Emmaus prima naar mijn zin! Totdat ik me realiseerde dat ik op het Emmaus nooit iedereen leerde kennen, want ik kreeg nooit leerlingen uit de havo of van het atheneum. Ik vind het ontzettend belangrijk om daar waar je werkt, iedereen te kunnen leren kennen. Dat is op het gymnasium natuurlijk wel zo, want die volgen allemaal ook jouw vak. Toen kwam ik hier en toen kreeg ik al heel gauw de vraag of ik jaarleider wilde zijn van klas 3. Dat heb ik gedaan en dat vond ik superleuk, samen met het lesgeven en het mentoraat. Daarna kwam de vraag of ik de tweede klas er ook bij wilde doen en zo werd het steeds meer naast het lesgeven, want dat bleef ik ook altijd heel leuk vinden. Nu geef ik nog les aan één klas. Ik vind een rector die op een school geen lesgeeft heel raar.”

“Waarom vindt u dat raar? Ik heb het idee dat dat op heel veel scholen wel gebeurt.”

“Dat snap ik niet, want je wilt meemaken wat je collega’s meemaken en de leerlingen blijven kennen.  Je wilt weten wat ze meemaken, wat er in hen omgaat, hoe zij de dingen ervaren, of jij ze weer van een andere kant ziet. Dat zou niet het geval zijn als ik geen lesgaf.”

“Dat raakt aan wat ik in het bijzonder aan u bewonder: uw persoonlijke betrokkenheid. Bijvoorbeeld het kennen van bijna alle namen van de leerlingen… Waar komt deze betrokkenheid vandaan?”

“Omdat ik de mens waardeer. Het persoonlijk contact vind ik ontzettend belangrijk. Mij zou je niet op een kamertje moeten opsluiten om alleen maar beleidsstukken te schrijven. Ik vind de band die je probeert op te bouwen… ’s Ochtends sta ik bijvoorbeeld altijd beneden bij de deur en soms zie je dat een kind anders binnenkomt dan dat hij normaal binnenkomt. En dan denk ik: “Hé, zou er wat zijn of…?” Dan ga je praten om te kijken of wat je ziet ook klopt. Ik hou dat wel in de gaten.”

“Als u dan merkt dat het inderdaad niet zo goed gaat met een leerling, vindt u het dan moeilijk om zoiets los te laten als u naar huis gaat?”

“Als je het niet goed afsluit wel, maar ik denk ook dat je in de loop der tijd dat je een leerling helpt ook wel de mogelijkheden gaat zien, de wegen die een leerling kan bewandelen. Als je dat bespreekt, kan een leerling toch op een andere manier weer weggaan dan hij anders was weggegaan. Maar goed, er is natuurlijk altijd een zorg, bij iedereen. Reken maar dat er achter elke voordeur wat speelt. Je neemt die zorg altijd mee. Dat is niet perse moeilijk, maar meer meedenkend: hoe kunnen we hem of haar het best helpen? En ik zie natuurlijk ook niet alles.

“Van de dingen die er zijn veranderd de afgelopen jaren op het Erasmiaans… Wat is er veranderd waar u blij mee bent? Wat zou u uw opvolger mee willen geven?”

“Ik denk dat er rust is in de school. En wat de volgende rector ziet, dat gaat hij oppakken. Want niemand doet het op de manier waarop jij het doet en gelukkig ook maar. En dat bedoel ik ook met een nieuwe generatie binnenlaten. Het brengt weer heel andere dingen met zich mee. En wat ik leuk vind nog altijd aan de school zijn al die tradities, al die mogelijkheden voor elke leerling. Als je het leuk vindt om te debatteren dan kan dat. Je kan bij het EEP, EEYP, EEPD, naar het MUN, je hebt de debatclub. Vind je het leuk om iets extra’s te doen met de talen? Het kan allemaal. Je kunt meedoen met olympiades. Toneel is er, muziek is er; dat zijn ook allemaal eindexamenvakken. We hebben net weer Erasmiaanse namen gehad. De dodenherdenking. Eigenlijk is het zo indrukwekkend. Dan zijn er drie lezingen van iemand die over zijn leven vertelt in de oorlog, en de aula is muisstil. Drie sessies lang. Dan zitten ze gewoon een uur geconcentreerd te luisteren. En ze kunnen dat! Soms denken we dat ze het niet kunnen, maar ze kunnen dat. Wij moeten ze boeien om dat voor elkaar te krijgen, maar er staat daar iemand die met respect wordt behandeld.”

“Is dit onderscheidend voor het Erasmiaans?”

“Nou, omdat het al zolang gebeurt, weet iedereen dat het er is. Het open podium, de bandjesavond, de schoolkrant en dat soort dingen zijn er ook op andere scholen. Dat geloof ik wel, maar het blijft áltijd en het wordt altijd een stukje beter. Het verrijkingsproject, het Honours-program… Dat zijn allemaal dingen die in de loop van de tijd ontstaan zijn en die het voor mensen ook leuker maken. Waarbij je in eerste instantie denkt, moeten ze dit wel leren? Leerlingen kunnen dan ook zichzelf aanmelden. Je kunt ze ook over het hoofd zien en dat een leerling dan denkt: “Waarom ik niet?” Nou, waarom eigenlijk niet? Kom er ook bij! Maar het feit dat je denkt: “Ik hoor daar ook bij!”, dat vind ik ook mooi. Iemand haalt misschien wel zesjes, omdat je hem niet genoeg uitdaagt. Als je maar weet dat iemand ermee loopt of dat je erin mee kunt denken, dat je dan iemand dat stapje verder kunt helpen.”

“Vindt u het niet tegelijkertijd ook een valkuil, dat er zoveel mogelijkheden zijn?”

“Dat kan. Het is natuurlijk een vrijheid, maar ook een beperking. Iemand die het aankán, die moet het ook vooral dóen. Maar zie je dat het z’n valkuil wordt, dan moet je ook kunnen zeggen: “Nou, even niet. Misschien op een ander moment weer, maar we gaan nu even een stapje terug om even te kijken naar wat we dan moeten doen.” Dus het is een valkuil en tegelijkertijd ook zorgen dat je het weer oppakt. Zo heet het ook hè, met vallen en opstaan. Soms heb je zelfs een leerling die zegt: “Ik heb me in de eerste klas eigenlijk verveeld. Ik zit nu in de tweede, maar zou eigenlijk naar de derde willen.” Pittig. Dan zeg je: “Start even in de tweede met een paar vakken van de derde klas.” Dan kijken we aan het eind van de maand even hoe het ervoor staat. Zo kunnen we langzaam stapjes zetten. En alleen al dat dat vertrouwen gegeven wordt…”

“Om het af te sluiten: Wat is het advies dat u zou geven aan de leerlingen en aan de nieuwe rector?”

“Aan de leerlingen… Blijf nieuwsgierig en laat je uitdagen. Je mag de ander ook uitdagen. Toon die initiatieven. Doe het samen. Samen maken we het alleen maar beter en sterker in een wereld die best complex is. Blijf jezelf.

En aan de nieuwe rector… Laat je verrassen. Sta open. En wees er voor iedereen, maar dat zal mijn opvolger ongetwijfeld ook doen. Ik denk dat het hele mooie stappen zijn die deze rector kan zetten, en dat de rector samen met meneer Melsert en de staff elkaar goed aan kunnen vullen.

Tot slot zou ik graag van dit podium gebruik willen maken om iedereen te bedanken dat ik hier zolang heb mogen werken. Ik ben rector geweest in eer en geweten. Alles wat je doet, doe je in eer en geweten, vanuit een goed hart. Bedankt!”

De bel gaat.

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Bijspijkeren met… Arno Groen (EXTRA LANG)

Opwarming van de aarde, maar Elfstedentochten in Nederland? In deze EXTRA LANGE aflevering legt aardrijkskunde-docent Arno Groen het uit. Met #Bijspijkeren houdt Semper Floreat oud-leerlingen bij de les!

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Korte broeken op het Forum Erasmianum

Met de zomer zijn ook de korte broeken terug op het Forum Erasmianum! Vastgelegd op de gevoelige plaat door Felicia Lampe, huisfotograaf van Tolle belege. Nog twee weken en dan begint ook voor Midden-Nederland (en dus ook voor het Erasmiaans) de zomervakantie. Klik hier voor de lentefoto.

foto: Felicia Lampe

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Recensie – Lof der Zotheid van de Veenfabriek

Vier oud-Erasmianen kwamen niet geheel toevallig bijeen voor een avondje muziektheater. Ze kenden natuurlijk alle vier het magnum opus van hun held, hun voorbeeld, hun gids Desiderius Erasmus Roterodamus. Echter, geen van allen had ‘t ooit gelezen: Lof der Zotheid. Het was meer iets van de klepel en de klok. En iets met gek zijn of gek doen, gekte in het algemeen, waar dat woordje uit het stenen tijdperk naar verwijst: zotheid, wie kent het niet. Maar toch door nieuwsgierigheid gedreven en in de hoop iets in te halen dat ze in hun jonge jaren hadden gemist, maar vooral voor de gezelligheid, togen ze naar het theater: Maaike, Japo, Feijo en ondergetekende.

foto: Renate la Poutré

Lof der Zotheid, als muziektheatervoorstelling van De Veenfabriek. Ooit bedoeld als lof aan de zotheid, omdat de wereld geen wereld zou zijn zonder zotheid, geschreven door de zotheid zelf. Of liever de godin van de zotheid. Ze heeft veel kritiek op de maatschappij. Uit al deze zotheid komt alles voort: politiek, oorlog, vriendschap, liefde, jachtpartijen, het huwelijk en ga zo maar door. Maar de Zotheid vindt ook dat wie haar niet kent, niet leeft. ‘Zotheid is onmisbaar om gelukkig te zijn.’ Verder wordt deze godin bijgestaan door enkele andere godinnen, die van: eigenliefde, vleierij, vergeetachtigheid, werkschuwheid, genotzucht, onverstand, weelderigheid, drinkgelag en slaap. Dat is zo’n beetje de samenvatting van Erasmus’ werk, voor zover ik dat op heb kunnen duikelen met Google. Maar zien we dit ook terug in de voorstelling?

Voor jouw beeld: Het decor was een woonkamer met een driezitsbank, een salontafeltje en een muur van radiootjes, die allemaal piepten, zoemden en knetterden. Maar er kwam geen zinnig woord uit. Misschien wel het sterkste statement van de voorstelling. Op de bank zaten, liepen, kropen, krioelden, aten, dronken en praatten de acteurs gekleed in felgekleurde avondjurken. Het plezier spatte ervan af. Leuk om naar te kijken. Maar wat werd er nou eigenlijk gezegd? Ik kon er geen touw aan vast knopen en liep eigenlijk als een nog groter vraagteken de zaal uit, al had ik me ook prima vermaakt. Of laten vermaken.

Benieuwd naar de mening van mijn mede feestcommissieleden vroeg ik wat ze hadden meegemaakt en of zij er wel iets van opgestoken hadden.

‘Een ‘zotte’ vertoning en wat een waterval aan woorden! En dat doen die acteurs gewoon met twee vingers in de neus!’ was min of meer Maaikes aangename ervaring.

‘Enig verband met het oorspronkelijke werk, zag ik niet. Niet te doen ook. Heb het meesterwerk immers nooit gelezen. Die zotheid zat er zeker in. Maar een sceptische blik op de huidige tijd of ironie kon ik niet herleiden uit het stuk.’ Feijo’s observatie.

En last but not least Japo aan het woord over deze muziektheatrale variant van Lof der Zotheid: ‘Een ‘zot’ stuk, goed gespeeld, maar vooral die creativiteit van de instrumenten, de symbiose met het acteerwerk, heel mooi geïntegreerd. Of Erasmus het ooit zo bedoeld heeft, lijkt me sterk. Maarrrr wellicht komen in dit stuk wel de ZEVEN kunsten voor een groot deel samen: bewegen, acteren, zang, muziek, taal, kostuums, vormgeving…’

Niemand heeft zich hoeven vervelen. Maar het onderlinge weerzien had bij alle vier de meeste indruk gemaakt. Toch brengt vooral Japo’s observatie mij op het idee om met 700 jaar Erasmiaans onze eigen Lof der Zotheid op de planken te brengen, geheel in lijn met het thema, dat ik hier natuurlijk niet ga verklappen! 🙂

Anna Rottier (eindexamenjaar ’89)

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

“Je moet gewoon goed kunnen schrijven“

De redactie van Tolle belege ging in gesprek met Liza Berden en Elyza Punselie, leden van de hoofdredactie van Tolle Lege. Het derde lid Noa Bruker kon er niet bij zijn. Zij deed eindexamen. De hoofdredactie vertegenwoordigt verschillende jaren: Liza zit in de derde, Elyza in de vijfde en Noa nog even in de zesde. Voor ons ligt het prachtige Valentijnsnummer van dit jaar. Er volgen nog een zomernummer in juni en een herfstnummer in het najaar.

Een blik op de inhoud: Valentijnsquiz, Dr. Amor, behoefte aan liefde, het Liefdesleven van Erasmus en verliefd zijn op verliefd zijn. Een echt Valentijnsnummer met onderaan het voorwoord ‘veel leesliefde gewenst’. Toch wel anders dan het activistische vocabulaire uit de jaren ‘60 en ‘70. Hoe komt Tolle Lege tot stand en wat zijn de ambities van de hoofdredactie?

“Wij zijn vrij strak georganiseerd. De hoofdredactie heeft de eindverantwoordelijkheid. Wij zorgen ervoor, dat er redactievergaderingen zijn, dat de schrijfredactie op tijd haar stukken aanlevert en dat de taalredactie aan het werk kan. En daarna gaan de vormgevers aan de slag. Vóór het eindresultaat naar de drukker gaat, doet onze begeleidster Eva Rieborn, lerares Nederlands, de laatste correctie. Ook rectrix Bouwien Bovenberg kijkt nog even mee of er niet al te stoute dingen in staan.

We voelen ons heel vrij. We mogen eigenlijk over alles schrijven wat wij willen. Soms geven de stukken wel wat wrijving. Één van onze beste schrijvers had in een vorig nummer een kritisch stuk over Gaza geschreven. Dat viel niet bij iedereen goed. Ook een docent had kritiek. Wij hebben het zo gelaten en geen reacties geplaatst.

Één van de populairste rubrieken is ‘lerarenquotes’. De leerlingen verzamelen de quotes en wij halen daar de beste uit. Echt heel geestig. En heel populair bij de leraren. Ook de puzzel van Ooms doet het goed. Deze enthousiaste leraar Klassieke Talen is helemaal gek van puzzelen. Hij is altijd ruim op tijd. Hem hoeven we echt niet achter de broek te zitten.

Wij zijn enorm trots op de vormgeving. Tolle Lege ziet er altijd hartstikke fraai uit. Mooi evenwicht tussen beeld en tekst. We hebben op het moment een heel goede fotografe. Zij had voor het Valentijnsnummer alle stoelen in de school gefotografeerd. ‘Ieder zijn stoeltje’ is fantastisch geworden.

De totale redactie is een prima mix van oud en jong. De ouderen schrijven de meer persoonlijke stukken en de jongere redacteuren interviewen vaker en maken foto’s. Het is toch een groot verschil of je 13 of 17 bent en dat zie je terug in de stukken. Ook voor onze lezers is dat prettig en herkenbaar.

We zijn sinds april met de zomereditie aan het werk. Ja, het kost best veel tijd, maar het is enorm leuk om er met elkaar mee bezig te zijn naast je schoolwerk. Wat het belangrijkste criterium is om mee te doen? Je moet gewoon goed kunnen schrijven, vormgeven of fotograferen. En die leerlingen zijn er gelukkig genoeg.”

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

THC-patiënten (‘ikje’ van Rosalie Boddé)

Sinds kort geef ik examentraining Nederlands. Afgelopen weekend was ik samen met een leerling druk bezig met een lastige tekst, waarin wintersporters vergeleken werden met de zieken van vroeger, die naar een hooggelegen sanatorium afreisden om daar te genezen door schone lucht. “Weet je wat tbc betekent?”, vroeg ik haar. De leerling begon te lachen: “Ja, maar ik wist niet dat mensen vroeger helemaal naar de bergen gingen om te blowen!”

Rosalie Boddé, 2025

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Bijspijkeren met… Jan Spoelder

Erasmiani en Erasmianae! In deze aflevering stelt oud-docent Grieks en Latijn Jan Spoelder de naamgever van onze school centraal. Met #Bijspijkeren houdt Semper Floreat oud-leerlingen bij de les!

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Een gezicht en een verhaal voor Erasmiaan Sonja de Jongh (1927-1943)

In de zomer van 2024 vroeg Semper Floreat uw aandacht voor een historische foto uit 1940 van Hockeyclub Gymnasium Erasmianum. Op de foto stond een onbekend meisje met twee lange vlechten. Hetzelfde meisje stond op een klassenfoto van het Joods Lyceum Rotterdam. Oud-leerling Anne Schram Ouweneel vermoedde dat het kon gaan om het Erasmiaanse oorlogsslachtoffer Sonja de Jongh (1927-1943). Dat blijkt inderdaad zo te zijn. Van Sonja was nog geen enkele foto bekend. Anne Schram reconstrueerde haar leven.

Anne Schram Ouweneel

Sonja de Jongh is een van de 130 Erasmiaanse oorlogsslachtoffers. Elk jaar komt haar naam voorbij op de Erasmiaanse Dodenherdenking. Maar tot nu toe was het een lege naam. Een naam zonder verhaal. Letterlijk niets wisten we van Sonja de Jongh, behalve dat zij in 1927 was geboren in Monaco, dat zij in 1941 van school af moest omdat ze Joods was, en dat zij in 1943 stierf in Auschwitz, zestien jaar oud. Ook haar broer John overleefde de oorlog niet, evenmin als haar moeder Sophia. Haar vader, Hijman de Jongh, leek van de aardbodem verdwenen. Wie was Sonja de Jongh?

Het eerste aanknopingspunt vond ik in het dagboek van Esther van Vriesland. Esther, een vijftienjarig meisje uit Gorinchem, zat in het schooljaar 1941-1942 op het Joods Lyceum Rotterdam. Op vijf plaatsen in haar dagboek noemde zij een Sonja. “Sonja en Rita (…) waren tenminste niet zulke jongensgekken.” “Sera, Sonja en ik hebben een ijsco op.” “Sonja moest, omdat ze geen boek had naast Vickie gaan zitten en kreeg de laatste een kleur.” Dankzij Erasmiaan Arthur Trijbits wist ik dat ‘Rita’ Erasmiaan Rita Bosman was en ‘Vickie’ Erasmiaan Victor van Vriesland. De zoektocht naar ‘Sera’ was ingewikkelder, maar ook Sera kon worden achterhaald (zie dit krantenartikel over haar identificatie). Maar wie was Sonja?

Gelukkig vermeldde Esther één keer in haar dagboek Sonja’s achternaam. Op maandag 22 juni 1942 schreef Esther: “Sonja de J. was woensdag jarig.” Sonja de Jongh misschien? Was ‘onze’ Sonja jarig geweest op woensdag 17 juni? Nee, op dinsdag 16 juni. Maar het kon niet missen. En inderdaad: in het originele manuscript van Esthers dagboek staat Sonja’s achternaam voluit geschreven. Sonja had haar opleiding dus vervolgd aan het Joods Lyceum.

Toen begon het echte onderzoek. Het schoolarchief, het bevolkingsregister, Arolsen Archives, het NIOD, het NRK-archief. Slim zoeken op Delpher en Google met dubbele aanhalingstekens, blij zijn met elk snippertje informatie, verder zoeken op nieuwe vondsten, de diepte in, en dan nog dieper. Maar vooral: op zoek naar verwanten. Had Sonja’s vader de oorlog overleefd? Had hij kinderen uit een eventueel tweede huwelijk? Wisten zij misschien meer over Sonja? Het enige wat ik vond over haar vader Hijman de Jongh, was dat hij ten tijde van de echtscheiding van Sonja’s moeder dagbladschrijver was in Parijs. Was hij daarom niet te vinden? Omdat hij in Frankrijk woonde? Ik zocht contact met de formidabele Carla Berkhout-Blond. Kon zij in Franse archieven iets vinden over Hijman de Jongh? Met kerende post kwam Carla bij me terug. Hijman de Jongh was de damgrootmeester Herman de Jongh.

Inmiddels wist ik zeker dat het meisje met de vlechten Sonja de Jongh was. Dat zat zo. Het meisje met de vlechten was een Joods meisje dat eerst op het Erasmiaans had gezeten – zij stond immers op de hockeyfoto van 1940. Op het Joods lyceum zat ze in de derde klas – ze stond op de klassenfoto van Esther. En het was iemand van wie we nog geen foto hadden. Het moest dus óf Sonja de Jongh zijn, óf Annette Lena Fransman, een ander Erasmiaans oorlogsslachtoffer van wie we niets weten. Maar Annet was in 1941 bevorderd naar de tweede klas, niet naar de derde.

Mocht ik nog enige twijfel hebben gehad, dan verdween die bij het zien van foto’s van Herman de Jongh. Sonja leek sprekend op de damgrootmeester. Het hoge voorhoofd, de rechte wenkbrauwen, de lichte ogen, de geprononceerde jukbeenderen bij de oren. 

Ik vond aangetrouwde familie van Herman de Jongh. Ook vond ik de kleindochter van Sonja’s neef. In twee huizen gingen kastjes, kistjes en dozen open. Foto’s en paperassen kwamen tevoorschijn. Ik vond familiegeheimen. Er kwamen vragen op. De vraag of Sonja wist dat de man van haar moeder haar opa was. De vraag of John haar broer of haar halfbroer was. De vraag of Sonja’s opa Sonja’s vader was. Er was overleg met familie. Er was openheid. Er was begrip. Er was berusting.

Ook waren er hartverscheurende ontdekkingen. Sonja, meisje van vijftien, was na het eerste Jodentransport vanuit Rotterdam vermoedelijk als enige van haar gezin achtergebleven in haar ouderlijk huis. Zij bezat niets meer dan wat ze aanhad: “Sonja de Jongh, Besitzt nur Leibwäsche und Damenkleidung”. Op de een of andere manier belandde ze in Amsterdam. Dan de ontdekking van haar paraaf in het Amsterdamse arrestantenregister. Het enige handschrift van Sonja dat bewaard is gebleven. Een grafoloog zou kunnen afstuderen op deze drie letters. Haar paraaf een schreeuw.

Ten slotte was er het CABR-archief. Volgens een notitie van een onbekende onderzoeker op Joods Monument zou Sonja’s naam voorkomen in twee inventarissen in het CABR-archief.  In 2024 deed ik een aanvraag voor deze inventarissen. Wacht u tot 1 januari 2025, dan wordt het CABR-archief openbaar. Ik wachtte tot 1 januari. Het CABR-archief werd toch niet openbaar. Het CABR-archief werd een beetje openbaar. Het inzicht dat het wel eens storm zou kunnen lopen op 1 januari 2025. De tegenwoordigheid van geest om op nieuwjaarsmorgen om 03:30 uur de stukken te reserveren – op dat tijdstip was ik de vijfde persoon die een CABR-aanvraag indiende. In het Nationaal Archief was er het speuren in twee dikke inventarissen naar de naam Sonja de Jongh. Het vinden van de naam Sonja de Jong, zonder h, in één zin op één pagina in die dikke, dikke dossiers. De ontdekking dat Sonja de Jongh ook nog ondergedoken had gezeten op de Veluwe. Het idyllische beeld dat oprees van Joodse onderduikers die om 8 uur ’s avonds een praatje kwamen maken bij de waterpomp op het erf van de boerderij. Het beeld van de Amsterdamse werkster die dit schouwspel zag vanuit de bovenkamer van haar vakantiehuisje. De ontdekking dat Sonja de Jongh was verraden.

Er was de vraag of Sonja de Jongh veilig was geweest in dat ondergrondse hol op de Veluwe. Of de drie jongemannen en de man die daar bij haar waren haar hebben beschermd. Of zij niet was misbruikt. Er waren tranen om Sonja de Jongh. Er was woede op de vrouw die haar heeft verraden. Er was verdriet dat Sonja Herman de damgrootmeester nooit beter heeft kunnen leren kennen. Er was de hoop dat Sonja op de Veluwe een mooie laatste zomer had, met gesprekken, verhalen en het vredige getjilp van vogels. Er was spijt dat Sonja zich niet heeft kunnen ontwikkelen tot de mooie, intelligente vrouw die ze had kunnen worden. Er was de verre verwant die me bedankte en zei: “Nu kunnen we ook Sonja herdenken.” En er is de dankbaarheid dat Sonja de Jongh herdacht zal blijven worden op het Erasmiaans Gymnasium.

Lees het verhaal van Sonja de Jongh op de website van het Erasmiaans Gymnasium.

Anne Schram Ouweneel (eindexamenjaar 1990) nam het initiatief voor het project Erasmiaanse Namen. Dit is een meerjarig educatief project waarbij leerlingen van het Erasmiaans Gymnasium historisch onderzoek doen naar de oorlogsslachtoffers van hun eigen school. Rondom de Dodenherdenking worden de resultaten van het onderzoek op school tentoongesteld. Erasmiaanse Namen is een project van Stichting Sanderling in  samenwerking met het Erasmiaans Gymnasium.

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Nieuw: de seizoensfoto

We vonden Anouk Riehl, architecte en oud-redactielid van Tolle belege, bereid om elk seizoen van 2025 vast te leggen op de gevoelige plaat. De eerste foto van dit jaar is gemaakt door haar dochter en tevens leerling van het Erasmiaans: Felicia Lampe.

foto: Felicia Lampe

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Pagina 2 van 7

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén