Categorie: Historisch

Van Erasmiaanse Namen tot Het Vergeten Lyceum

Project Erasmiaanse Namen inspireert tot nieuw Holocaust-educatieproject

In de Leopoldzaal van het Erasmiaans Gymnasium vond op 20 januari 2026 de lancering plaats van Het Vergeten Lyceum. Dit educatieve Holocaust-project vertelt het vrijwel onbekende verhaal van het Joods Lyceum Rotterdam, een oorlogsschool die slechts anderhalf jaar bestond (1941–1943). Op het Joods Lyceum zaten ten minste 24 leerlingen van het Erasmiaans Gymnasium.

Tijdens de zomervakantie van 1941 ontving Pattist, de toenmalige rector van het Erasmiaans Gymnasium, een brief van de gemeente Rotterdam. In de brief stond dat hij een lijst moest maken van alle leerlingen zijn school, ten behoeve van “scheiding van Joodsche en niet-Joodsche kinderen.” De Joodse leerlingen mochten na de zomer van 1941 niet meer terugkeren op het Erasmiaans. Op een blaadje noteerde rector Pattist hun namen.

Voor de Joodse gymnasium- en hbs-leerlingen richtte de gemeente Rotterdam het Joods Lyceum op. Officieel heette de school het Gemeentelijk Lyceum voor Joodsche leerlingen. De nieuwe school werd gevestigd in Kralingen, in een oud schoolgebouw waarvan de bovenste verdieping zwaar beschadigd was geraakt door het bombardement van 14 mei 1940. Erasmiaan Arthur Trijbits, een van de leerlingen die het Erasmiaans had moeten verlaten, omschreef het gebouw als een “mistroostige school (…) in een platgebombardeerde wijk.”

Schoolhistoricus Niek van der Blom, docent klassieke talen op het Erasmiaans van 1951 tot in 1981, schreef in zijn Grepen uit de geschiedenis van het Erasmiaans Gymnasium (1978) al kort iets over het Joods Lyceum. “Misschien is het weinige dat ik hier doorgeef aanleiding tot het vinden van meer,” schreef hij. Dat ‘meer’ werd gevonden dankzij het project Erasmiaanse Namen, in 2020 geïnitieerd door oud-leerling Anne Schram Ouweneel.

Erasmiaanse Namen is een meerjarig educatief project waarbij zesdeklassers van het Erasmiaans hun profielwerkstuk kunnen schrijven over een oorlogsslachtoffer van hun eigen school. De resultaten van hun onderzoek worden elk jaar rondom de Dodenherdenking op school tentoongesteld, samen met portretten van de Erasmianen die niet terugkeerden en een kunstwerk van Bart Domburg met hun namen.

Tijdens de allereerste lichting van Erasmiaanse Namen, in 2020, stimuleerde Anne een van de leerlingen, Ties Hoogeveen, om onderzoek te doen naar het Joods Lyceum. Toen Ties’ profielwerkstuk af was, ging Anne door waar hij was gestopt. Dat leidde tot het project Het Vergeten Lyceum, bedoeld voor leerlingen uit Rotterdam en omstreken.

Op de website van Het Vergeten Lyceum staat het geïllustreerde verhaal van het Joods Lyceum en zijn leerlingen. De webteksten zijn geschreven op taalniveau B2, zodat leerlingen van alle niveaus en klassen het kunnen begrijpen. Ingewikkelde woorden worden uitgelegd via een inventief uitklaptekstje. Tijdlijnen zorgen ervoor dat de verhalen zowel lineair als non-lineair kunnen worden gelezen. Deze levensverhalen van Joodse leeftijdsgenoten bieden leerlingen van nu een ingang tot historische kennis over de Holocaust. Niets brengt de oorlog zo dichtbij als de eigen stad en de eigen leeftijdsgroep.

De lancering vond plaats in aanwezigheid van nabestaanden van oud-leerlingen van het Joods Lyceum, WO2-onderzoekers, vrijwilligers en andere betrokkenen. Dagvoorzitter Trix van Bennekom, auteur van het boek Halte Hausdorff over de Joods-Rotterdamse huisarts en Erasmiaan David Hausdorff, leidde het programma in en gaf toelichtingen. Chris van den Berg, rector van het Erasmiaans Gymnasium, sprak een welkomstwoord uit. Theo Kemperman, voorzitter van Stichting Loods 24, hield een indrukwekkende lezing over Loods 24 en Holocausteducatie. Daarna werden voor het eerst in de geschiedenis de namen voorgelezen van de nu bekende leerlingen van het Joods Lyceum. Bariton Ken Gould sloot de middag af met een aangrijpende vertolking van Eli, Eli.

In mei 1943 sloot het Joods Lyceum omdat er geen leerlingen meer over waren. Alle 150 leerlingen waren gedeporteerd of ondergedoken. Een enkeling had kunnen vluchten. Van de 25 leerlingen op het lijstje van Pattist overleefden slechts 11 leerlingen de Holocaust.

De website van Het Vergeten Lyceum wordt de komende jaren aangevuld met nieuwe verhalen, lesmateriaal en interactieve functies.

Erasmiaanse Namen en Het Vergeten Lyceum zijn projecten van Stichting Sanderling. Drijvende kracht achter deze projecten is oud-leerling Anne Schram Ouweneel (eindexamenjaar 1990). Anne wordt bijgestaan door vrijwilligers, onder wie Erasmiaan Loes Wijnbergen, dochter van de Erasmiaanse Engelandvaarder Lou Wijnbergen.

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Pieter en Erasmus Gerardszoon

“Erasmus van Rotterdam aan heer Pieter, zijn broer, gegroet … Als je wilt horen hoe het met mij gaat, wel, ik houd zielsveel van je, zoals je ook verdient. Je naam ligt altijd op mijn lippen, ik draag je in mijn hart, ik denk voortdurend aan jou, ik droom van jou, ik praat dikwijls over je met mijn vrienden en met niemand vaker, vertrouwelijker en met meer genoegen dan met onze stadgenoot Servaas …” zo klonk het in 1487 in een brief.[i] Veertig jaar later, in november 1527, schreef dezelfde Erasmus van Rotterdam echter: “Bij de dood van mijn broer bleef ik volkomen rustig”.[ii] Wat ging er mis tussen deze twee broers en wat weten wij van hun afkomst?

Persoonlijk voel ik ook vanwege zijn voornaam wel sympathie voor Pieter, maar dat wij hem tegenwoordig nog kennen, heeft hij volledig te danken aan zijn jongere broer Erasmus. Heel weinigen immers hebben ooit van deze Pieter gehoord, zijn broer Erasmus daarentegen is nog steeds bekend, en terecht. Over hem schreef zijn vriend John Colet al in 1516: “De naam Erasmus zal nooit verloren gaan, maar je zult je naam onsterfelijke roem verlenen en zwoegend in Jezus zul je voor jezelf het eeuwige leven verwerven”.[iii] Over diens leven – tot Erasmus in Bazel op 12 juli 1536 overlijdt -, werken en ideeën zijn inmiddels boekenkasten vol geschreven. Hij inspireert nog steeds velen. Enkele jaren geleden verscheen weer een nieuwe lijvige biografie van Sandra Langereis[iv], die ook uitgebreid ingaat op Erasmus’ familie en zijn jonge jaren. In 2021 kwam er ook een Nederlandse vertaling[v] van Stefan Zweigs enthousiaste Erasmusbiografie uit 1934, waarin zijn blijvende betekenis nog eens werd benadrukt.

De speurtocht naar dit stukje familiegeschiedenis van twee vijftiende eeuwse broers is genealogisch interessant want Erasmus is zelf de belangrijkste bron. Helaas betoont hij zich niet steeds een eerlijke bron. Het doel van zijn levensbeschrijvingen is namelijk vooral om zijn eigen positie als onafhankelijk denker gedurende en na zijn leven versterken. Hij schrijft zijn eigen familiegeschiedenis vooral in zijn brieven. Soms is hij daarin persoonlijk, zoals in de hierboven aangehaalde teksten, soms ook juist heel afstandelijk. Sommige van zijn berichten blijken verzonnen, andere lijken waar te zijn.

De ruzie met broer Pieter

In 1516 schrijft Erasmus een lange brief[vi], die moet worden voorgelezen aan paus Leo X. In die brief legt hij in een vertelling over twee broers – in feite Pieter en Erasmus zelf – uit hoe hij tegen zijn zin priester werd. De paus zou erg begaan zijn met dit verhaal en daarmee bereikte Erasmus zijn doel, namelijk dat de paus hem uit zijn onvrijwillig aanvaarde priesterschap ontsloeg.

In die brief vertelt hij dat de broers als tieners hun ouders aan de pest hadden verloren. Hun voogden, die hun erfenis slecht hadden beheerd, wilden de jongens in een klooster  onderbrengen. De broers hadden afgesproken zich gezamenlijk tegen het priesterschap te verzetten. Toen werden hun de aantrekkelijkheden van het kloosterleven voorgespiegeld. “Hierdoor betoverd begon de oudste [Pieter] te weifelen en vergat wat hij herhaaldelijk gezworen had. De jongste [Erasmus] bleef desondanks bij zijn besluit. Om kort te gaan, de trouweloze [Pieter] liet zijn broer [Erasmus] in de kou staan, aanvaardde het juk en stak wat er nog over was stiekem in eigen zak. En het was niet de eerste keer dat hij zo te werk ging. En de zaak liep mooi voor hem af. Hij was immers even traag van geest als sterk van lichaam, altijd uit op gewin, doortrapt en slim, verzot op geld, een stevige drinker en ijverige hoerenloper. Kortom, hij verschilde zoveel van zijn jongere broer dat het een ondergeschoven kind leek. Voor zijn eigen broer was hij altijd een kwade geest.”

Het lijkt hier dus alsof de broers al in onmin met elkaar leefden op het moment dat zij in het klooster intraden. Maar bedenk dan dat de eerst geciteerde brief, waarin Erasmus zijn onvoorwaardelijke broederliefde etaleert, geschreven is nadat zij beiden in een klooster waren ingetreden. Dus ofwel Erasmus heeft de scène die aan zijn intreden vooraf zou zijn gegaan later bedacht, of hij heeft het verhaal naderhand zwaar aangezet.

Over zijn ouders

Later – in 1524 – schrijft Erasmus, weer als onderdeel van een brief[vii], zijn zogenaamde Compendium vitae, een “Verslag van heel mijn leven, echt een Ilias vol rampen: want er is nooit een schepsel geboren dat ongelukkiger was dan ik”, met de opdracht dit verhaal met niemand te delen. Deze tekst is dan ook pas lang na zijn dood bekend geworden. In dit verhaal is geen plaats meer voor zijn broer Pieter.

Stamboom van Pieter en Erasmus

“Hij is in Rotterdam geboren” schrijft Erasmus over zichzelf, “in de nacht van 28 oktober. Zijn moeder Margareta kwam uit Zevenbergen. Met haar had zijn vader Gerard, de zoon van Elias en Catherina, een verborgen verhouding; het stel wilde trouwen. Zijn ouders en broers vonden echter dat hij priester moest worden. Dus ging Gerard in arremoede op reis met het plan nooit meer terug te komen. Zijn achtergebleven bruid was zwanger. Hij kwam in Rome, waar hij werkte als kopiist. Daar kreeg hij het valse bericht van zijn ouders dat zijn aanstaande overleden zou zijn. Daarop werd hij priester en wilde zich geheel aan de godsdienst wijden. Toen hij terugkwam, ontdekte hij het bedrog, maar hij raakte Margareta nooit meer aan. Wel zorgde hij dat zijn zoon beschaafd opgevoed werd …”.

Dit aandoenlijke[viii] verhaal over een dood gewaande geliefde, die bij thuiskomst springlevend blijkt met de kleine Erasmus op schoot, kan niet waar zijn, al was het maar omdat Erasmus de tweede zoon was van zijn ouders. Erasmus schreef het zo op omdat zijn vader op enig moment priester werd en hij op die manier hoopte te voorkomen dat zijn geestelijke nalatenschap zou lijden onder de betichting van een zondige geboorte: hij suggereert dat hij verwekt werd toen zijn vader nog geen gelofte had afgelegd.

Ook dit verhaal van Erasmus is dus tenminste gedeeltelijk verzonnen, maar gelukkig zijn recent documenten met betrekking tot Gerard, de zoon van Elias – dus de vader van Pieter en Erasmus – aan het licht gekomen, die het mogelijk maken een aannemelijke schifting aan te brengen tussen feiten en fictie in Erasmus’ Compendium vitae. Eind vorige eeuw bleek namelijk uit oorspronkelijke bronnen dat Gerard Eliaszoon van Rotterdam, in 1457 en 1458 als kopiist in Italië werkte.[ix] En enkele jaren geleden doken documenten op, die laten zien dat deze Gerard Eliaszoon van 1471 tot 1476 vice-pastor in Woerden was vanwaar hij naar Gouda vertrok.[x] Deze laatste bron ontkracht tevens definitief de lang verbreide Goudse claim, dat Erasmus weliswaar in Rotterdam geboren is, maar in Gouda verwekt zou zijn.

Zo lijkt het er dus op dat Gerard van Rotterdam, de zoon van Elias op enig moment priester werd en eind jaren 1450 in Italië was, waarna hij terugkeerde naar zijn geboortestad. Daar woonde hij tot 1571 samen met de Brabantse Margareta[xi] met wie hij een blijkbaar niet zo verborgen verhouding had, waaruit immers twee zonen geboren werden, eerst Pieter en daarna Erasmus. In 1471 verhuisde het viertal naar Woerden en vijf jaar later naar Gouda. Dat priesters geacht worden celibatair te leven, stond daar in de Hollandse cultuur van destijds blijkbaar het jonge geluk van Margareta en Gerard niet in de weg. Helaas werd Erasmus later in zijn carrière toch door zijn tegenstanders wel aangekeken op zijn ‘illegale’ geboorte en dit bracht hem er vermoedelijk toe ware feiten over zijn vaders Italiaanse reis te combineren met het verzinsel dat hij als eerste en enige kind tijdens die afwezigheid van zijn vader geboren zou zijn.

Erasmus vermeldt in zijn Compendium vitae niet zijn geboortejaar, maar zegt wel dat zijn geboorte “vermoedelijk 57 jaar geleden” was. Over het juiste geboortejaar bestaat nog steeds geen eenduidigheid. Het moet gelegen zijn tussen 1466 en 1469. Erasmus suggereert zelf dus 1466, maar voor zijn verhaal dat zijn vader nog geen priester was, toen hij hem verwekte, komt een antidatering hem wel goed uit. Langereis acht 1469 het waarschijnlijkst bijvoorbeeld op grond van het overlijden van Erasmus’ ouders aan de pest toen hij 14 jaar was; vastgesteld is dat er in 1483 een hevige epidemie heerste.[xii] Ook met betrekking tot de precieze plek van zijn geboorte bestaat geen absolute zekerheid, maar men houdt het erop dat zijn geboortehuis gelegen was aan de Nieuwe of Wijde Kerkstraat.[xiii] Dit was vermoedelijk destijds inderdaad nieuwbouw in een nieuwe straat, want ook toen ging het centrum van Rotterdam op de schop: in de jaren 1450 en 1460 werd de vlakbij gelegen Laurenskerk gebouwd en vervolgens meteen flink uitgebreid Dat betekende ook dat de omliggende straten en waterlopen aangepast moesten worden.

Over zijn vader schrijft Erasmus in zijn Compendium vitae: “Gerard zette zich in Rome tot passende studiën. Hij schreef goed Grieks en Latijn. En ook in het recht maakte hij flinke vorderingen. Want in Rome floreerden toen wijze mannen”. En van zijn moeder weet hij te melden dat zij de dochter is van een arts Pieter. Niet over elke medicus is Erasmus even tevreden. Wel schrijft hij: “Nu strekt de medische zorg zich niet alleen over het lichaam uit, het lagere bestanddeel van de mens, maar vooral over de mens in zijn geheel, ook al neemt de arts zijn vertrekpunt bij het lichaam zoals een theoloog dat doet bij de geest”.[xiv] Vader en moeder vullen elkaar dus goed aan. 

De jeugd van de broers

De oudste zoon, Pieter, is blijkbaar vernoemd naar zijn grootvader van moederszijde en de tweede, Erasmus, naar de favoriete heilige van zijn vader: Sint Erasmus, die een engelenhand naar Italië zou hebben gedragen en die na zijn marteldood onder keizer Diocletianus de patroonheilige van de zeelieden werd.

Als zoon van een artsendochter en een theoloog schrijft Erasmus: “Zijn vader zorgde ervoor dat hij beschaafd opgevoed werd en stuurde hem nauwelijks vier jaar oud naar school om letteren te leren. De eerste jaren vorderde hij weinig met de onsympathieke teksten, waarvoor hij niet in wieg was gelegd. In zijn negende jaar stuurde zijn vader hem naar Deventer; zijn moeder ging mee om voor hem te zorgen vanwege zijn prille leeftijd”[xv]. Kennelijk vond hij dat zijn ouders in lijn met hun eigen achtergrond inhoudelijk en zorgzaam het beste met de opvoeding van hun zonen voorhadden. En hij had zich heel jong blijkbaar al een uitgesproken mening gevormd over ‘onsympathieke’ teksten, die misschien wel bijdragen tot de letteren maar niet tot deugd[xvi].

Helaas woedt er tijdens Erasmus’ jaren in Deventer “als hij in zijn veertiende jaar is”, een pestepidemie, waarvan eerst zijn moeder slachtoffer wordt. Alle leerlingen worden uit Deventer naar huis – voor Pieter en Erasmus was dat Gouda – gestuurd vanwege de ziekte. Kort daarna sterft ook hun vader aan die ziekte. De erfenis van de broers wordt – zoals eerder vermeld – beheerd door voogden ook al hebben zij (volgens Erasmus’ Compendium vitae) van moeders zijde twee ooms in Dordrecht en van vaders zijde nog grootouders en negen ooms in leven. De voogden moeten voor hun verdere opleiding zorg dragen en sturen Pieter en Erasmus naar een kostschool in ’s Hertogenbosch. Maar zij willen al snel van hun verantwoordelijkheid af en besluiten de broers dus in augustijner kloosters onderbrengen: Pieter gaat naar het klooster Sion bij Delft en Erasmus kiest voor Stein bij Gouda, vermoedelijk vanwege de grote bibliotheek daar.[xvii]

Vanaf dat moment is er nauwelijks meer contact tussen de broers. Zij kiezen na hun jeugd samen elk een heel andere weg. Pieter lijkt als wees van ongeveer 20 jaar te besluiten voor zichzelf het leukste te halen uit het rauwe leven van die tijd. Zijn jongere broer Erasmus verwijt hem dat. Hij zet zich in om mensen tot goede mensen te maken en kiest ervoor zijn leven te wijden aan het bestrijden van de hypocrisie die hij overal om zich heen ziet. Die verbetenheid maakt hem niet gelukkig, maar wel de bekendste geleerde van Nederland met opvattingen over geloof, politiek, leiderschap en verantwoordelijkheid die in onze eeuw nog steeds actueel zijn.

Dit is een bijdrage van Pieter van der Hoeven, penningmeester Semper Floreat.


[i]      Brief 3.
De briefwisseling van Erasmus werd begin vorige eeuw geordend en in twaalf delen in het Latijn uitgegeven Opus epistolorum Des. Erasmi Roterodami  P.S. Allen, Clarendon Press, Oxford 1906-1959. Begin deze eeuw verschenen deze brieven in een twintig-delige Nederlandse vertaling De correspondentie van Desiderius Erasmus (diverse vertalers). Ad. Donker, Rotterdam 2004-2019.
Tijdens anders vermeld, volg ik hier steeds deze vertalingen.

[ii]     Brief 1900.

[iii]    Brief 423 van 20 juni 1516.

[iv]    S. Langereis Erasmus dwarsdenker De bezige bij: Amsterdam 2021

[v]     S. Zweig Triomf en tragiek van Erasmus van Rotterdam vertaald uit het Duits door B. van Kreel met een nawoord van T. Huttinga. Uitgeverij IJzer: Utrecht 2021

[vi]    Brief 447 van 15 augustus 1516. Erasmus herhaalt dit verhaal later in het voorjaar van 1525 in brief 1581a  die slechts indirect is overgeleverd.

[vii]   Erasmus Compendium vitae (opgenomen in brief 1437 van 2 april 1524); passages door mij geselecteerd en geparafraseerd.

[viii]  De Brit Ch. Reade was zo onder de indruk van dit verhaal dat hij in 1861 een dikke roman schreef The cloister and the heart over Erasmus’ ouders. Terecht wordt dit verhaal als fictie aangemerkt (al was het maar omdat de hoofdpersonen ’s avonds op en neer wandelen tussen Rotterdam, Gouda en Zevenbergen.

[ix]    G. Avarucci, Due codici scritti da ‘Gerardus Helye’ padre di Erasmo, Italia medioevale e umanistica 26, 1983 

[x]     K. Goudriaan, Erasmus en Gouda: een vluchtige relatie, De Schatkamer. Regionaal Historisch Tijdschrift Midden-Holland, 1 december 2017

[xi]    Men suggereert vaak dat Margareta de huishoudster was van Gerard, maar er is geen aanleiding om te veronderstellen dat Pieter en Erasmus geboren werden uit een verhouding die eerder uit een toevallige dienstbetrekking dan uit wederzijdse gevoelens tot stand kwam.

[xii]   S. Langereis op.cit.

[xiii]  R. van der Schans & L.L.E. Schlüter De plek waar eens de wieg van Erasmus stond Stichting Erasmushuis Rotterdam 2007

[xiv]  Erasmus Encomium medicae uit 1519, Lof der geneeskunde Vertaald door I. Bejczy, Ad. Donker, Rotterdam (1998).

[xv]   Erasmus Compendium vitae

[xvi]  Vermoedelijk was Caesar de eerste klassieke schrijver die ook hij las. In januari 1518 schreef Erasmus in brief 760 aan Anton van Bergen: “Van Caesar zul je de ware zuiverheid van de Romeinse taal leren, maar pas op dat je van hem niet de eerzuchtige dwaasheid van de oorlogvoering leert”.

[xvii] Dat ook Pieter naar Deventer en ’s Hertogenbosch gaat, zijn algemeen gedane aannames, immers Erasmus gunt zijn broer geen plek in zijn Compendium vitae. Zo ook de veronderstelling dat Pieter naar het klooster Sion gaat: Erasmus schrijft dat daar voor hem oorspronkelijk een plek was, maar dat hij uiteindelijk – zij het nog steeds tegen zijn zin – het klooster Stein koos.

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

‘De Ballade van Zes Alpha’

Schoolherinneringen tijdens WO II

De oorlogsdagboekjes van mijn moeder Adri Oosten (1926-1990), later Aad Knuttel-Oosten, lagen vanaf 1990 bij mij ongelezen in een kast, om ‘ooit’ te bekijken; het niet al te makkelijk leesbare handschrift werkte niet bepaald uitnodigend. Pas begin dit jaar waagde ik, jongste dochter van Aad, een poging en heb vervolgens het geheel getranscribeerd tot tachtig pagina’s A4, een schokkende maar ook een bijzondere en ontroerende ervaring. Wat had mijn moeder weinig over de oorlog aan ons als kinderen verteld, ongetwijfeld een herkenbaar beeld voor velen van onze naoorlogse generatie. Dit artikel met dagboekfragmenten geeft een indruk van de betekenis van het Erasmiaans voor mijn moeder in oorlogstijd.

Gym-manieren!
Adri is 14 jaar als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Wonend in Rotterdam gaat ze na de lagere school naar het Rotterdamsch Meisjeslyceum Bond aan de Witte de Withstraat, waar ze op de gymnasiumafdeling terechtkomt. Haar heimelijke verliefdheid op David Mees, in de dagboekjes aangeduid met ‘D.’, vormt voor haar de aanleiding om in december 1940 een dagboek te beginnen. Adri vertrouwt haar gevoelens en verlangens toe aan de kleinst mogelijke blocnotes, waarin ze niet alleen schrijft over verliefdheid en onzekerheid, maar ook over haar schoolbelevenissen. Haar zoektocht naar hoe je je staande houdt in de barre oorlogsomstandigheden leidt tot eindeloze herhalingen om zichzelf moed in te praten.
Als in 1942 het voor haar vertrouwde Meisjeslyceum aan de Witte de With wordt opgeheven, verhuist de gymnasiumafdeling van die school naar het Erasmiaans.
Het schoolgebouw aan de Wytemaweg is dan inmiddels gevorderd door de Duitse Marine, waardoor leerlingen op verschillende locaties in de stad les krijgen: de locatie West, een villa aan de Mathenesserlaan 435, op de hoek van de Gerrit Jan Mulderstraat en locatie Oost, een schoolgebouw aan de Vredehofweg 30. De rector van het Erasmiaans is inmiddels onder toezicht gesteld van de NSB.
Adri gaat na de zomervakantie naar de 5de klas. 2 september 1942: ‘De school is begonnen. Ik ben gymnasiaste geworden! In een herenhuis op de Math. laan. Els [Hoesen] zit in Kralingen. Dat spijt me vreselijk maar was te voorzien. Onze vriendschap was nu juist tot zoiets goeds en fijns gegroeid. Maar ja, zo zijn er meer dingen, die tegenwoordig neergehaald worden. Dit hoeft natuurlijk niet, maar we zullen elkaar nu niet zo dikwijls meer zien. Mijn nieuwe klas lijkt aardig. De ontvangst der docenten was minder hartelijk. We moesten meteen beginnen, terwijl we nog van niets wisten. Echt gym-manieren!’

Plutocratenzoontjes
Al valt het wennen zwaar, de oorlogsomstandigheden overschaduwen alles en worden steeds indringender. Op dinsdag 9 februari 1943 beschrijft Adri hoe de schooljongens van 17 jaar en ouder worden weggehaald.
10 februari 1943: ‘O, hoe kan het zijn? Het is een strafmaatregel voor Seyffardt. In Vught zijn ze bijeengebracht. […]. Ik wou dat ik iets doen kon voor D. en voor allen. Van dit nietsdoen word je razend. Je zit maar op school of er niets aan de hand is, maar ondertussen. Vreselijk is het. Als ik D. nu maar eens kon schrijven of spreken, maar daartoe is weinig kans. Kop op! En moed gehouden!
De NSB-er Hendrik Seyffardt werd eerder die week door twee studenten uit een verzetsgroep op klaarlichte dag doodgeschoten. Onder leiding van de Rotterdamse NSB-burgemeester Müller wordt een plan gesmeed om als represaille voor de dood van Seyffardt ‘plutocratenzoontjes’ op te pakken. Er worden lijsten samengesteld en op 9 februari worden 163 jongens uit vooraanstaande families opgepakt, zodat die ‘ook eens leren wat werken is’. Jongens, vaak in hun eindexamenjaar van de HBS, het Lyceum en het Erasmiaans worden van hun bed gelicht.
12 februari ’43: ‘Vandaag zijn alle jongens onder de 18 vrijgekomen. 18 en ouder onzeker. Soms wel soms niet. Omstandigheden ellendig in V.[ught]. Geruchten voor ons bedaard. Tussen hoop en vrees geslingerd over D. Wat moet er gedaan worden. Gisteren met 3 meisjes op school, vandaag met 5. Morgen zullen we misschien weer compleet zijn. Ikzelf ben steeds geweest. […] Ofschoon het oppikken wat geluwd is, is iedereen nog in een angstige stemming. De bal is aan het rollen, wat zal er nog gebeuren!’
Veel lessen vallen uit. 29 maart ’43: ‘Mijn rapport valt misschien nog wel een beetje mee. Vanmorgen Tacitus vertaling van de rector. Hij was o wonder, ontzettend aardig en voor ik begon klopte hij bij wijze van zegen me vriendelijk op mijn schouder. Ik hoop dat het geholpen heeft. Dolgraag zou ik nu eindelijk eens in de klas willen. Met Roggetje [Roggeveen] wordt het ontzettend vervelend.’

Uitdijend heelal en spiraalnevels
Tussen alle kleine, alledaagse schoolperikelen is de oorlog alom aanwezig; het wegvoeren van de Joden, razzia’s en verdwaalde geallieerde bombardementen, die voor de havens zijn bedoeld, maar veelal in woonwijken terechtkomen.
22 april ’43: ‘Vandaag zijn alle Isr. naar Vught gegaan. Vanmiddag ben ik aan den trein geweest. Het was vreselijk. Je mocht er niet bij en kon alleen maar zwaaien vanaf het andere perron. Een flinke man die steeds huilde, een jongen die roerend afscheid nam van zijn meisje. O, dit alles vergeet je nooit. Tenslotte zag ik de Levies die erg verrast waren me te zien. Verder nog de Staals. Op het uiterste puntje van het perron hebben we nog staan zwaaien naar mensen die zich vrijwillig in gevangenschap begaven. O, zoals de trein voorbij trok met al die wanhopige mensen. Dit is om nooit te vergeten of te vergeven. Moge God met hen allen zijn.’
6 Mei ’43: ‘[…] Op school is het vervelend. Iedereen is met zijn gedachten ergens anders, zowel docenten als leerlingen. […] De rector is weer erg koel onachtzaam en ontzettend vervelend. Je hebt op die man gewoon geen vat. En als bij al die nare dingen dan ook nog de Griekse lessen van Roggeveen komen, is het helemaal om razend te worden. Dan zeg ik weer: Wat doet het er eigenlijk toe.’
Op school zet Adri alle zeilen bij. Ondanks de vele beperkingen is er ruimte voor een uitje naar het planetarium, ‘erg indrukwekkend en mooi. Alleen over het uitdijend heelal en die spiraalnevels begreep ik niet goed’, is er opnieuw de dreiging dat jongens worden weggevoerd.
24 juni ’43: ‘Ik werk en werk en werk… met slechte resultaten. Ik denk dat ik dit jaar de kaap niet haal. Stereo, Grieks en misschien Frans onvoldoende. O bah, als bij al die ellendige dingen ook een keer blijven zitten moet komen.
Op de laatste schooldag wordt uit Pallieter van Felix Timmermans voorgelezen, ze geniet met volle teugen. Vervolgens is de opluchting is groot als ze te horen krijgt dat ze over is, al heeft ze een taak voor Grieks.
De promotie vindt Adri ‘meer dan belachelijk. De rector zei met uitgestreken gezicht dat we over waren en dat hij wel vond, hoor hem, dat de Lyceisten [onder wie Adri dus] hard gewerkt hadden. Vervolgens kregen we de rapporten en werden verzocht te verdwijnen. Er zat nu net niets bij. Enfin, het is volkomen typerend voor het hele jaar, dat ik nu op het Gym heb doorgebracht.
Er is een aanval op Sicilië begonnen. Zou dit nu werkelijk het begin van het einde zijn op korte termijn? Het is wel zeer hoog nodig.’

Erg Kralings
Als haar taak voor Grieks is volbracht begint na de vakantie het nieuwe schoolseizoen. 14 september ’43: ‘Ik zit alweer een paar dagen op school, VIde! Soms gaat het wel goed b.v. bij Grieks, maar Latijn is vreselijk. Zo even nog heeft Kampstra me grammaticaal weer eens helemaal uitgekleed. Echt flauw omdat hij weet dat hij je daarmee kan dood gooien. Het werkt zo ontzettend deprimerend. Toch wil ik me door hem niet laten “kisten”. We zullen eens zien of ik dat in orde kan krijgen. De klas is nu wel erg leuk, maar erg Kralings. Enfin, ik hoop dat het toch goed zal gaan.
Op 26 oktober volgt dan weer een domper: ‘Vanmorgen een vreselijk slechte Homerusvert. teruggekregen. Naar aanleiding daarvan vroeg ik aan v.d. Velde wat ik eraan moest doen. “Wachten”, zei hij. “Jullie (lyceïsten) horen hier nu eenmaal niet. De school heeft de verantwoordelijkheid nu op zich genomen, dus misschien wordt er ook iets aan gedaan.” […] Bah, je zou er zo de brui aan willen geven. Maar ja, zo kom je er ook niet.
Tussen de bedrijven door probeert Adri zich een beeld te vormen van haar toekomst, na het examen. 15 januari ’44: ‘Ik weet het niet. […] Eigenlijk zou je, om je keus te kunnen bepalen eerst moeten weten wat “leven” eigenlijk is, het doel, de bedoeling daarvan. En dan in die lijn iets doen. Maar dat is zo ontzettend moeilijk, bijna niet te benaderen.’
Belangrijk en fijn zijn de toneelstukken die op school worden ingestudeerd en uitgevoerd. Zo geniet Adri in het Odeon aan de Gouvernestraat op 29 januari ’43 van het blijspel ‘Hotelratten’, waarbij klasgenoot Hans Dijkers tussen de bedrijven door stukken uit Carmen op de piano speelt. Dat een ‘lyceummeisje’ ook wel eens complimenten krijgt, blijkt uit de getuigenis van curator Burgerhout, juli ’44, in een Résumé over dat schooljaar: ‘Deze middag-uitvoering is zeer geslaagd. Een der meisjes van het lyceum toonde zich een geboren actrice […] Op dit feest voelden leerlingen en leraren zich weer nauw verbonden East and West ontmoetten hierbij elkaar weer, zij het dan ook in het sjofele Odeon’.

De Ballade van zes alpha
1 maart ’44: ‘Vandaag hadden we een stereo proefwerk. Na erg lang te hebben getwijfeld, heb ik Lewis [Suermondt] gevraagd of hij mij misschien wat zou willen helpen. Hij zei dat hij het graag wou doen. Ik ben aan de ene kant erg blij dat ik het gedaan heb, want hij heeft me reuze fijn geholpen, heel gewoon, echt fijn. Toen hij wegging bleek dat hij wist dat ik voor mijn Vergilius vertaling voldoende had. Dat was erg leuk voor mij. En de andere kant vind ik het niet zo prettig, omdat ik weet of in ieder geval geloof, dat ik hem niet zomaar met het een of ander zou kunnen helpen. Dat zou ik toch zo dolgraag willen.’
Er zijn veel zieken op school, geregeld bestaat de klas uit minder dan tien leerlingen.  Maar ziekte is niet altijd de reden van afwezigheid. Zo blijkt dat Lewis onverwacht naar de Hollandsche Landbouwschool in Deventer is gegaan, omdat hij als jongen daar veiliger onderdak heeft dan in Rotterdam.
Intussen vallen er nogal wat onvoldoendes en stelt Adri alles in het werk om ‘de kaap te halen’.
En tussen dat werken door is er ook nog wel een feestje, zoals op zaterdag 22 april, bij Jan van Leeuwen thuis: ‘Het was een enig feest. We hebben elkaar verhalen voorgelezen of het een of ander voorgedragen, muziek gemaakt, gezongen, gepraat. Iets heel bijzonders was Hayo met zijn saxophoon, een sopraansax. We hebben er ontzettend om gelachen.’
Voor de gelegenheid heeft Jan van Leeuwen ‘De Ballade van Zes alpha’ geschreven:

Wat was voor ons een week? Wat was voor ons de tijd?
Wat bekommerden wij ons om ’s werelds grootste strijd
De aardkorst dreunde om ons heen
Voor ons was er 6α slechts alleen
Vliegtuig geronk, bombarderen werd gehoord
Maar 6α werkte voort!


Ja, eens trof ons allen een vreselijk gerucht
Een onzer voerden ze naar Vught
Voor deez’ gedachte zijn wij toen bewaard
Neen, 6α was niet het enigst’ op aard’
Maar hoeveel mensen er werden vermoord.
6α werkte voort!


Maanden kwamen, maanden gingen voorbij
Wij kenden nog slechts een machtwoord: “d’r bij!”
Wij hoopten dat ons zwoegen eens werd beloond
Door een goede uitslag zou worden bekroond
Xerxes Augustus Napoleon enzovoort
6α werkte voort!

En zo lang deze wereld nog mag bestaan
Durven wij allen ons werk nog aan
Wij zullen lachen, maar ook strijden
6α overwint ook deze tijden
Voor ons geldt ook nu nog dit ene woord
6α werkt nog voort!

Jan van Leeuwen

Limonade aan de Plas
En als op 13 mei de laatste schooldag is geweest trekt Zes alpha, in afwachting van het examen, erop uit: ‘Vandaag hebben we de laatste schooldag gehad. Zal het werkelijk de laatste zijn?…
We zijn met de hele klas (de jongens verkleed) er de hele morgen op uitgetrokken. De rector heeft het erg onsportief behandeld en heeft ons toen we om half 11 naar school kwamen weggestuurd. Toen zijn we limonade gaan drinken aan de Plas, reuze gezellig. Soms waren Dien [Kooiman] en Hayo [
de Boer] weleens een beetje grof, maar het was toch erg leuk. Later zijn we naar school gegaan, om een uur en hebben de leraren toegezongen. Kampstra lachte wiens caricatuur we voor ons uitdroegen! Alleen directeur kwam niet voor de draad. Toen zijn we naar v.d. Velde gegaan met de tram, maar deze was er in het geheel niet van gediend en was woedend. Belachelijk gewoon. Ik ben benieuwd wat er maandag zal gebeuren als we voor gesch. nog naar school moeten. De hele morgen liepen we gearmd om en om met de jongens op grote rijen. Tenslotte bleven Rudy [Fockens] en ik alleen over, die me gearmd en wel naar huis gebracht heeft. Dat was vreselijk leuk.
De feestvreugde wordt flink getemperd als na weken van hard blokken dan toch op 6 juni blijkt uit te komen waar Adri zo bang voor was: ‘Ik ben gezakt; het is dan toch gebeurd. O, wat is het vreselijk. Het ergste vind ik om weer een jaar op dat gym te zitten met vreemde kinderen die mij niet kennen en die me ook niet aangaan. Verder vind ik het ellendig voor Lewis, Rudy, die zelf ook gezakt is, en voor iedereen, vader en moeder. Vreselijk. […] Het enige is dat ik nu volgend jaar niet zo reikhalzend hoef te werken, zo ontzettend hard, zodat ik mezelf kan ontwikkelen en trachten door al die dingen beter uit te groeien want door alleen maar te ploeteren word je geen mens. Ik ben gezakt op 5 1/3 voor Grieks, met op het kantje dus.’
Dat het zo op het nippertje is maakt het moeilijk verteerbaar.

Harde ploffen en dreunen
Als het nieuwe schooljaar voor haar ligt, is het voor Adri opnieuw wennen geblazen in een nieuwe groep. Bovendien ontstaat er steeds meer schaarste op alle fronten, in de voedselvoorziening, in de telefoonverbindingen, trein- en tramverkeer. Dat laatste is een reuzestrop, want: ‘fietsen kun je vanwege het vorderen ook niet meer. Enfin, waarschijnlijk nog maar een paar dagen. Op school is het nog erg onwennig, net of ik er niet bij hoor, Alleen als gast of zo. Er zijn wel leuke kinderen bij zoals Lot v.d. Pot maar over het algemeen nog erg klein. Ik voel tenminste een enorme afstand.’
27 september ’44: ‘Ik ben sinds Maandag niet meer op school vanwege de toestand. De trams rijden slechts tot 10 uur dus ik zou aldoor terug moeten lopen. Bovendien steek je op school toch niets op nu, en zijn er slechts 7 meisjes van de hele klas (28). Nu heb ik het dus maar opgegeven, vooral ook omdat ik een cursusje kan volgen in verband met de naoorlogse toestand. Verder werk ik wat thuis. De strijd vordert slechts langzaam en staat bij Arnhem, waar vreselijk gevochten is, helemaal stil. Intussen laten ze hier alle kranen, pakhuizen en kaden springen. Aldoor hoor je harde ploffen en dreunen. Zo gaat nu onze hele haveninstallatie eraan. Vader vermagert op het ogenblik zienderogen en daar doet dit laatste niet veel goed aan.’
De cursus die Adri volgt is er eentje als helpster van het Rode Kruis. Dit is goed te combineren met haar doublurejaar en het geeft het gevoel dat ze zich nuttig kan maken. Intussen is er ook veel oorlogsgeweld om haar heen, 25 oktober ’44: ‘Gisteren zijn vele mensen doodgeschoten. Hun lijken bleven op straat liggen. Vanmorgen heb ik er ook een paar gezien. Vreselijk, ik was er helemaal van in de war. Is dit nu ook volgens Gods wil?… Ik kan het niet aanvaarden hoe zo iets mogelijk is.
En op 1 november ’44: ‘Op school is het vreselijk vervelend. Het is nu 1 Nov. en nog geen verwarming. Verschrikkelijk koud! Nu we ’s avonds om half tien in bed moeten liggen vanwege de electriciteit kom ik eigenlijk tijd tekort. Wel sta ik steeds om 6 uur op. Vanmiddag moet ik examen doen voor rode kruis helpster. Griezelig. Ik zal blij zijn als het voorbij is. Ik krijg dan weer wat meer tijd.’
De situatie voor de jongens wordt steeds moeilijker en gevaarlijker en de voedselvoorziening benarder; de hongerwinter dient zich aan. Ook al probeert Adri lichtpuntjes te zien, bijvoorbeeld in de bijlessen in Plato en Tacitus die ze twee keer in de week geeft aan Peter Mees, de jongere broer van D., ze voelt ook hoe ze afstompt en hoe moeilijk het is om alles vol te houden.
11 maart ’45: ‘Alweer hebben we aan den lijve gemerkt, hoe licht er met mensenlevens omgesprongen wordt. 20 mensen werden vanmorgen gefusilleerd in het openbaar op de Coolsingel, om daar enige tijd met een smadend bordje te blijven liggen. Dit alles voor de moord op één Duitser. Vreselijk, vreselijk.’
Ze probeert troost te vinden in een tekst over ‘Gemoedsrust’ van Horatius.

Vijf fatale schoten
Als Nederland dan eindelijk is bevrijd op 5 mei, hetgeen op een heel verwarrende en chaotische manier ook een dag later in Rotterdam het geval is, schrijft Adri op 6 mei 1945:
‘Sinds een week precies is alles aan het ineenstorten en vandaag is ook voor R’dam de capitulatie afgekondigd. Het heeft zich zo toegedragen: verleden week zondag na besprekingen vooraf, zijn Engelse en Am. begonnen levensmiddelen per vliegtuig naar onze provincies te brengen. Heel laag vlogen ze over en groetten, telkens nieuwe, honderden achtereen. Het was een reuze evenement. Allemaal stonden we op de daken te juichen en te zwaaien. Daarna kwamen ook schepen v. Engelsen door en auto’s uit het reeds bevrijde gebied met levensmiddelen voor de hongerden. Het was het begin van de redding. Toch hebben we nog de hele week in afwachtende spanning gezeten. Berlijn viel, er gebeurde niets, Hitler “sneuvelde”, alles bleef rustig, Mussolini werd gefusilleerd, het een volgde het andere op.
Tot Vrijdagavond de capitulatie werd afgekondigd voor Nederland, Denemarken en het hele z.g. Westelijke front. ’s Morgens om 8 uur zou het ingaan, Zaterdag 5 Mei. Helaas de Engelsen konden niet doorstoten, de Duitsers in Rotterdam en Dordt wilden zich niet overgeven en gingen met des te wilder wapengeweld tekeer, nu ze wisten dat het feitelijk toch voor hen was afgelopen.
Een van de vele slachtoffers die gisteren gevallen zijn, is ook David. O God, het is vreselijk. Wat voor een onverlaat de Duitser geweest is die dat gedaan heeft, weet ik niet, maar de euvele moed had hij om 5 schoten op hem te lossen. David was bezig het prikkeldraad uit zijn tuin weg te halen, heeft nog gevochten en is daarna op zijn vlucht neergeschoten.
O, ik kan het me nog niet goed realiseren dat David weg is, dood, helemaal uit het leven.’
Hoewel ze probeert het verlies van David op te vatten in het geheel van kommer en leed, valt het haar heel zwaar en kan ze niet de vreugde en blijdschap van de bevrijding voelen.

Tegenwicht tegen verruwing
Pas een maand na de bevrijding lijkt pas echt duidelijk te worden welke gruwelijkheden tijdens de oorlog zich in de concentratiekampen hebben afgespeeld. Op 7 juni ’45 schrijft Adri:
‘Vanavond stonden er vreselijke berichten in de krant: van de 140.000 Joden die voor de oorlog in ons land waren, zijn er nog 20.000 in leven. O God, hoe is het mogelijk. In speciale “Vernichtungslager” zijn ze afgemaakt. Vreselijk is het. […] Verder stond er dat er zeer spoedig 500.000 man voor Indië en Duitsland onder de wapenen zullen zijn. Als ik eraan denk, kan ik wel een beetje gaan zitten huilen. Lewis zal ook gaan, voor zover zijn lichamelijke toestand het zal toelaten tenminste. Van de week was ik bij hem. Hij was nog erg slap en zag er slecht uit. Ik heb reuze fijn met hem gepraat en hij beloofde eens naar me toe te komen. Ik moet er niet aan denken, dat hij ook zou moeten gaan vechten. En afgezien van Lewis, dat alle mannen en jongens die nu net uit Duitsland komen en nu de oorlog in zullen gaan. O, ellendig vind ik het. Als Japan het toch maar eens voor die tijd zou opgeven, over een paar maanden of zo. God geve onze jongens kracht en geloof in deze moeilijke tijd en een tegenwicht tegen deze vreselijke verruwing, zodat ze niet zonder idealen en geknakt terugkomen voor hun leven.’

Geen examen en toch een diploma
In aanloop naar het einde van het schooljaar heerst er veel onduidelijkheid over het examen.  Komt er wel een examen of niet? Er zijn al zoveel lessen uitgevallen en in de roerige dagen rond de bevrijding  wordt de onzekerheid alleen maar groter. Maar dan eindelijk komt het bericht dat bij Koninklijk Besluit is bepaald dat alle eindexamenkandidaten van het schooljaar ’44-’45 hun diploma zonder examen zullen ontvangen, tenzij kan worden aangetoond dat zij banden met de bezetter hadden onderhouden. 13 juni 1945: ‘Gisteren was het voor mij wel een heel bijzondere dag. ’s Middags kwam Rudy Fockens bij me, die vanaf 11 november in Duitsland had gezeten. Ik heb leuk met hem gepraat. Hij gaat medicijnen studeren en heeft een vaste wil gekregen. Toen we zo zaten te praten zei hij opeens: ik feliciteer je, je bent geslaagd. Er komen geen eindexamens, jullie krijgen zo je diploma! En het is waar! Heerlijk is het er nu in enkele weken vanaf te zijn. […] Zo is er dan wel ineens veel veranderd en ik kan me van dat eindexamen vooral nog haast niet voorstellen. Ik ga nu een heel nieuw leven tegemoet. Gisteren kreeg ik een oproep van Eudokia, om daar te komen werken als Rode kruis hulp. Dat ga ik dan eerst een maand ongeveer doen. Misschien later dan nog naar een vacantie kinderhuis ergens buiten. En dan de studie. Eerst moet ik daar nog eens grondig inlichtingen over krijgen. Dat zal ik nog wel zien.’

En daarmee eindigt dit verhaal. Adri gaat uiteindelijk naar de School voor Maatschappelijk Werk in Amsterdam en komt in een klas met uitsluitend meisjes van gymnasia! En al speelt het grote verdriet om de dood van David een enorme rol in haar leven, trouwt ze in 1950 met mijn vader. En kan ik nu dus dit verhaal tachtig jaar later doorvertellen: een verhaal over het schoolleven in oorlogstijd beleefd door een puber op zoek naar waarden en relaties die het leven de moeite waard maken.

Elseline Knuttel, september 2025

Bronnen

Oorlogsdagboekjes Adri Oosten, 1940-1945
Oostendorp, J.J. van en A. Schram Ouweneel (red.) (2003). Het Erasmiaans Gymnasium in de Tweede Wereldoorlog. Herinneringen van oud-leerlingen. Semper Floreat / Rijswijk, Elmar.
Pauw, J.L. van der (2006). Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog. Amsterdam, Boom.

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Een gezicht en een verhaal voor Erasmiaan Sonja de Jongh (1927-1943)

In de zomer van 2024 vroeg Semper Floreat uw aandacht voor een historische foto uit 1940 van Hockeyclub Gymnasium Erasmianum. Op de foto stond een onbekend meisje met twee lange vlechten. Hetzelfde meisje stond op een klassenfoto van het Joods Lyceum Rotterdam. Oud-leerling Anne Schram Ouweneel vermoedde dat het kon gaan om het Erasmiaanse oorlogsslachtoffer Sonja de Jongh (1927-1943). Dat blijkt inderdaad zo te zijn. Van Sonja was nog geen enkele foto bekend. Anne Schram reconstrueerde haar leven.

Anne Schram Ouweneel

Sonja de Jongh is een van de 130 Erasmiaanse oorlogsslachtoffers. Elk jaar komt haar naam voorbij op de Erasmiaanse Dodenherdenking. Maar tot nu toe was het een lege naam. Een naam zonder verhaal. Letterlijk niets wisten we van Sonja de Jongh, behalve dat zij in 1927 was geboren in Monaco, dat zij in 1941 van school af moest omdat ze Joods was, en dat zij in 1943 stierf in Auschwitz, zestien jaar oud. Ook haar broer John overleefde de oorlog niet, evenmin als haar moeder Sophia. Haar vader, Hijman de Jongh, leek van de aardbodem verdwenen. Wie was Sonja de Jongh?

Het eerste aanknopingspunt vond ik in het dagboek van Esther van Vriesland. Esther, een vijftienjarig meisje uit Gorinchem, zat in het schooljaar 1941-1942 op het Joods Lyceum Rotterdam. Op vijf plaatsen in haar dagboek noemde zij een Sonja. “Sonja en Rita (…) waren tenminste niet zulke jongensgekken.” “Sera, Sonja en ik hebben een ijsco op.” “Sonja moest, omdat ze geen boek had naast Vickie gaan zitten en kreeg de laatste een kleur.” Dankzij Erasmiaan Arthur Trijbits wist ik dat ‘Rita’ Erasmiaan Rita Bosman was en ‘Vickie’ Erasmiaan Victor van Vriesland. De zoektocht naar ‘Sera’ was ingewikkelder, maar ook Sera kon worden achterhaald (zie dit krantenartikel over haar identificatie). Maar wie was Sonja?

Gelukkig vermeldde Esther één keer in haar dagboek Sonja’s achternaam. Op maandag 22 juni 1942 schreef Esther: “Sonja de J. was woensdag jarig.” Sonja de Jongh misschien? Was ‘onze’ Sonja jarig geweest op woensdag 17 juni? Nee, op dinsdag 16 juni. Maar het kon niet missen. En inderdaad: in het originele manuscript van Esthers dagboek staat Sonja’s achternaam voluit geschreven. Sonja had haar opleiding dus vervolgd aan het Joods Lyceum.

Toen begon het echte onderzoek. Het schoolarchief, het bevolkingsregister, Arolsen Archives, het NIOD, het NRK-archief. Slim zoeken op Delpher en Google met dubbele aanhalingstekens, blij zijn met elk snippertje informatie, verder zoeken op nieuwe vondsten, de diepte in, en dan nog dieper. Maar vooral: op zoek naar verwanten. Had Sonja’s vader de oorlog overleefd? Had hij kinderen uit een eventueel tweede huwelijk? Wisten zij misschien meer over Sonja? Het enige wat ik vond over haar vader Hijman de Jongh, was dat hij ten tijde van de echtscheiding van Sonja’s moeder dagbladschrijver was in Parijs. Was hij daarom niet te vinden? Omdat hij in Frankrijk woonde? Ik zocht contact met de formidabele Carla Berkhout-Blond. Kon zij in Franse archieven iets vinden over Hijman de Jongh? Met kerende post kwam Carla bij me terug. Hijman de Jongh was de damgrootmeester Herman de Jongh.

Inmiddels wist ik zeker dat het meisje met de vlechten Sonja de Jongh was. Dat zat zo. Het meisje met de vlechten was een Joods meisje dat eerst op het Erasmiaans had gezeten – zij stond immers op de hockeyfoto van 1940. Op het Joods lyceum zat ze in de derde klas – ze stond op de klassenfoto van Esther. En het was iemand van wie we nog geen foto hadden. Het moest dus óf Sonja de Jongh zijn, óf Annette Lena Fransman, een ander Erasmiaans oorlogsslachtoffer van wie we niets weten. Maar Annet was in 1941 bevorderd naar de tweede klas, niet naar de derde.

Mocht ik nog enige twijfel hebben gehad, dan verdween die bij het zien van foto’s van Herman de Jongh. Sonja leek sprekend op de damgrootmeester. Het hoge voorhoofd, de rechte wenkbrauwen, de lichte ogen, de geprononceerde jukbeenderen bij de oren. 

Ik vond aangetrouwde familie van Herman de Jongh. Ook vond ik de kleindochter van Sonja’s neef. In twee huizen gingen kastjes, kistjes en dozen open. Foto’s en paperassen kwamen tevoorschijn. Ik vond familiegeheimen. Er kwamen vragen op. De vraag of Sonja wist dat de man van haar moeder haar opa was. De vraag of John haar broer of haar halfbroer was. De vraag of Sonja’s opa Sonja’s vader was. Er was overleg met familie. Er was openheid. Er was begrip. Er was berusting.

Ook waren er hartverscheurende ontdekkingen. Sonja, meisje van vijftien, was na het eerste Jodentransport vanuit Rotterdam vermoedelijk als enige van haar gezin achtergebleven in haar ouderlijk huis. Zij bezat niets meer dan wat ze aanhad: “Sonja de Jongh, Besitzt nur Leibwäsche und Damenkleidung”. Op de een of andere manier belandde ze in Amsterdam. Dan de ontdekking van haar paraaf in het Amsterdamse arrestantenregister. Het enige handschrift van Sonja dat bewaard is gebleven. Een grafoloog zou kunnen afstuderen op deze drie letters. Haar paraaf een schreeuw.

Ten slotte was er het CABR-archief. Volgens een notitie van een onbekende onderzoeker op Joods Monument zou Sonja’s naam voorkomen in twee inventarissen in het CABR-archief.  In 2024 deed ik een aanvraag voor deze inventarissen. Wacht u tot 1 januari 2025, dan wordt het CABR-archief openbaar. Ik wachtte tot 1 januari. Het CABR-archief werd toch niet openbaar. Het CABR-archief werd een beetje openbaar. Het inzicht dat het wel eens storm zou kunnen lopen op 1 januari 2025. De tegenwoordigheid van geest om op nieuwjaarsmorgen om 03:30 uur de stukken te reserveren – op dat tijdstip was ik de vijfde persoon die een CABR-aanvraag indiende. In het Nationaal Archief was er het speuren in twee dikke inventarissen naar de naam Sonja de Jongh. Het vinden van de naam Sonja de Jong, zonder h, in één zin op één pagina in die dikke, dikke dossiers. De ontdekking dat Sonja de Jongh ook nog ondergedoken had gezeten op de Veluwe. Het idyllische beeld dat oprees van Joodse onderduikers die om 8 uur ’s avonds een praatje kwamen maken bij de waterpomp op het erf van de boerderij. Het beeld van de Amsterdamse werkster die dit schouwspel zag vanuit de bovenkamer van haar vakantiehuisje. De ontdekking dat Sonja de Jongh was verraden.

Er was de vraag of Sonja de Jongh veilig was geweest in dat ondergrondse hol op de Veluwe. Of de drie jongemannen en de man die daar bij haar waren haar hebben beschermd. Of zij niet was misbruikt. Er waren tranen om Sonja de Jongh. Er was woede op de vrouw die haar heeft verraden. Er was verdriet dat Sonja Herman de damgrootmeester nooit beter heeft kunnen leren kennen. Er was de hoop dat Sonja op de Veluwe een mooie laatste zomer had, met gesprekken, verhalen en het vredige getjilp van vogels. Er was spijt dat Sonja zich niet heeft kunnen ontwikkelen tot de mooie, intelligente vrouw die ze had kunnen worden. Er was de verre verwant die me bedankte en zei: “Nu kunnen we ook Sonja herdenken.” En er is de dankbaarheid dat Sonja de Jongh herdacht zal blijven worden op het Erasmiaans Gymnasium.

Lees het verhaal van Sonja de Jongh op de website van het Erasmiaans Gymnasium.

Anne Schram Ouweneel (eindexamenjaar 1990) nam het initiatief voor het project Erasmiaanse Namen. Dit is een meerjarig educatief project waarbij leerlingen van het Erasmiaans Gymnasium historisch onderzoek doen naar de oorlogsslachtoffers van hun eigen school. Rondom de Dodenherdenking worden de resultaten van het onderzoek op school tentoongesteld. Erasmiaanse Namen is een project van Stichting Sanderling in  samenwerking met het Erasmiaans Gymnasium.

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Niek van der Blom: een verzetsman voor de klas

Door: Pieter Hoogenraad

Wat wisten wij, leerlingen van het Erasmiaans Gymnasium in de jaren zestig, van de oorlogsjaren van onze docenten? De Duitse bezetting hadden zij allen meegemaakt. Hoe waren ze die tijd doorgekomen? Waren ze ‘goed’ geweest of ‘fout’ of hadden ze zich gewoon gedeisd gehouden? En nog indringender, hoe had Boas de Holocaust overleefd? Het waren vragen die wij niet stelden en onze docenten spraken er niet over. Wij wisten het niet. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik enige tijd geleden in het boek Bob de Geus 1923-1999, De Oorlogsjaren van een jonge Hilversumse verzetsstrijder van Leo Pauw de naam tegenkwam van Niek van der Blom. Onze rustige, bedachtzame leraar oude talen bleek een belangrijke rol te hebben gespeeld in het verzet. Iets waarover hij nooit had gesproken. Na die ontdekking wilde ik meer weten over het verzetsverleden van ‘onze mijnheer Van der Blom’. Hieronder het resultaat van mijn speurtocht met speciale dank aan de hulp die ik daarbij kreeg van zijn kleindochters Henriëtte (Oxford) en Ida (Kopenhagen).

Het moet in maart of april 1943 zijn geweest dat Niek van der Blom werd aangesproken door Henk de Jonge. Niek was ongetwijfeld verbaasd hem na zoveel tijd weer in Amsterdam te treffen. Hij kende hem van de Vrije Universiteit. Henk was daar na zijn diensttijd gaan studeren maar was er sinds juli 1942 niet meer gezien. Er werd gefluisterd dat hij in Londen zat. Dat vermoeden klopte, De Jonge was een van de Engelandvaarders. Hij had zich na aankomst in het Verenigd Koninkrijk bij het Nederlandse Bureau Inlichtingen (BI) gemeld. Daar was hij getraind om terug te gaan naar Nederland om in het bezette vaderland inlichtingen te verzamelen van militaire en economische aard over de Duitse aanwezigheid. De Jonge kreeg de codenaam Albrecht. De nieuwbakken geheimagent landde op 11 maart 1943 aan een parachute bij het Drentse Hooghalen. Spoedig na zijn aankomst begon hij met het zoeken naar medewerkers. Albrecht zocht die in eerste instantie bij oude vrienden en bekenden die in militaire dienst waren geweest en die hij had ontmoet aan de VU. Zo benaderde hij ook Niek van der Blom, die klassieke taal- en letterkunde studeerde aan deze reformatorische universiteit.

Nicolaas van der Blom werd op 7 april 1917 in Gorinchem geboren. In 1929 ging hij naar het gymnasium in Dordrecht waar hij een klasgenoot was van zijn latere collega Arie Baan. Twee jaar later verhuisden zijn ouders naar Rotterdam waar Niek zijn schooltijd vervolgde aan het christelijke Marnix Gymnasium. Daar behaalde hij in 1935 het diploma gymnasium alpha. Niek groeide op in een gereformeerd gezin. Ook hij voelde zich aangetrokken tot de leer van Calvijn. Het was dan ook vanzelfsprekend dat hij ervoor koos zijn studie oude talen aan de Vrije Universiteit te volgen. Daar liep hij college en deed er examen met een onderbreking van 1939 tot 1940 in verband met zijn militaire diensttijd. In 1943 kwam er echter een abrupt einde aan zijn studietijd. In maart van dat jaar verplichtten de Duitsers de universiteiten hun studenten een loyaliteitsverklaring te laten tekenen. Daarin moesten zij plechtig beloven zich te zullen onthouden van iedere tegen de Duitse of Nederlandse overheid gerichte handeling. Vele studenten aan de VU weigerden de verklaring te tekenen. Zij moesten zich melden bij de Sicherheitspolizei. Van degenen die daaraan gevolg gaven, werden er vijftig in het kader van de Arbeitseinsatz naar Duitsland gestuurd. De maatregel was aanleiding voor het bestuur van de Vrije Universiteit hun alma mater met ingang van 12 april 1943 te sluiten.

De troebelen aan de universiteit vonden plaats in een periode dat Niek wel wat anders aan zijn hoofd had. Het waren zijn wittebroodsweken. Een paar jaar eerder had hij Erna leren kennen. Ernestina Henriëtta Corbeth, zoals zij voluit heette, woonde in Rotterdam bij haar ouders. Zij had daar een baan als boekhouder en verdiende wat bij als pianolerares. In de weekenden kwam Niek naar Rotterdam waar ze elkaar op zaterdagavond ontmoetten. Op zondag bezochten ze met haar ouders de gereformeerde eredienst. Het klikte tussen hen beiden en Niek en Erna trouwden in februari 1943 in het gebombardeerde Rotterdam. Zijn moeder en zus Francien – aldus het verhaal dat gaat in de familie – waren twee dagen te voet onderweg om vanuit Amsterdam, waar zij woonden, via Gouda bij de trouwpartij te komen.

Lang kreeg Niek niet de tijd om van zijn bruidsdagen te genieten. Al spoedig na zijn trouwen benaderde Albrecht hem om zich aan te sluiten bij de spionagegroep die hij bezig was te formeren. Het verzetswerk zal Niek niet onbekend zijn geweest. Verzet tegen een goddeloze overheid paste binnen de leer van Calvijn, die daar onder strikte voorwaarden zelfs toe opriep. Studenten en medewerkers aan de VU waren actief in de illegale pers. Vrij Nederland was oorspronkelijk een initiatief uit reformatorische kring. En in 1942 richtte een groep orthodox protestantse verzetsmensen na een conflict binnen de redactie van die krant het nieuwe blad Trouw op. Onder de studenten circuleerde het landelijke verzetsblad De Geus.

Het beroep dat Albrecht deed op Niek was niet tevergeefs. In mei bestond de Groep Albrecht, zoals deze al spoedig werd genoemd, uit circa twintig mensen waartoe ook Niek behoorde. Hij kreeg aanvankelijk de schuilnaam H0G7 die later werd veranderd in het gemakkelijker te hanteren Frank. Albrecht selecteerde streng bij de samenstelling van zijn groep. Hij wierf zeker in de begintijd vooral jonge hoogopgeleide mannen, aanvankelijk van de VU maar daarna ook van andere universiteiten en hogescholen. De leden moesten zowel fysiek als mentaal aan hoge eisen voldoen. De Albrechtleden leerden bij hun opleiding scherp te observeren. Ze maakten zich de organisatie eigen van het Duitse leger, de marine en de luchtmacht. Aan de hand van uniformen en uitmonstering moesten ze kunnen vaststellen tot welke eenheid een militair behoorde. En natuurlijk was het herkennen van de Duitse bewapening belangrijk. Onder leiding van Albrecht ontwikkelde de groep zich voorspoedig. De pas geworven spionnen begonnen vanuit het niets, maar al in september waren ze in grote lijnen bekend met de militaire situatie in het land. Het kustgebied van Holland en Rozenburg hadden ze gedetailleerd in kaart gebracht. Het jaar daarop slaagde de groep erin steeds meer inzicht te krijgen in de Duitse troepenstructuur, het transport en de kustverdediging. En in het laatste oorlogsjaar waren de verschillende onderdelen van de groep in staat hun informatie over het Duitse leger rechtstreeks aan de geallieerde onderdelen door te geven. De Groep Albrecht bestond toen inclusief vaste contacten en koeriers uit ca. 800 medewerkers. Na de bevrijding werd de groep opgeheven. De medewerkers hadden toen in totaal 2065 rapporten uitgebracht en 250 schetsen. De Groep Albrecht wordt alom genoemd als de succesvolste organisatie in ons land op het gebied van het verzamelen van militaire inlichtingen tijdens de bezetting.

In juli 1943 had Albrecht op acht plaatsen in Nederland verkenners gestationeerd. Zij behoorden tot het tweede echelon onder de top, die bestond uit Albrecht en drie van zijn getrouwen. Frank was een van die acht en kreeg als regio het Gooi aangewezen. Het Gooi bekleedde een bijzondere positie binnen de Duitse krijgsmacht. In 1943 had namelijk General der Flieger Friedrich Christiansen, Wehrmachtsbefehlshaber in den Niederlanden, zich met zijn staf in Hilversum gevestigd. Christiansen, de hoogste Duitse militair in ons land, resideerde lange tijd in het beroemde raadhuis van architect Dudok. Maar in de loop der tijd streken de generaal en zijn staf neer in de chique villawijk de Trompenberg. Op geregelde tijden reed Frank op zijn fiets door dit gebied om daar de Duitse eenheden in kaart te brengen. Al spoedig merkte hij echter dat het werk hem boven het hoofd groeide. Hij wendde zich daarom tot het hoofd van het Hilversumse verzet met het verzoek om ondersteuning. Deze wees hem twee energieke jonge Hilversummers toe die zich al eerder in het plaatselijke verzetswerk hadden bewezen: Bob de Geus en Eli Millenaar. Frank sleepte Bob en Eli dagelijks mee op de fiets door het Gooi en liet hen dan schetsen maken van situaties en insignes die zij opmerkten. Hij was begonnen een kaart van Hilversum te tekenen en had daar al een gedeelte van klaar. Bob en Eli kregen als taak telkens een deel van de stad te verkennen en dat op deze kaart aan te vullen. Met de bevlogenheid waarmee hij later als docent zijn leerlingen de stamtijden zou bijbrengen, leerde Frank zijn Hilversumse pupillen de Duitse troepen aan hun uitmonstering te herkennen. ‘Een hele klus,’ zou Bob de Geus later erkennen. Hij kreeg de codenaam Arend en ontpopte zich al spoedig als een toegewijde spion. Na het vertrek van Frank uit het Gooi werd Arend zelfstandig verantwoordelijk voor deze regio. Hij bleef tot het einde van de oorlog actief in het Gooi. De Hilversumse spion zou het ver brengen. Hij werd na de oorlog beroepsmilitair en eindigde zijn indrukwekkende loopbaan als Inspecteur Generaal van de Krijgsmacht met als standplaats De Zwaluwenberg in Hilversum.

Uit veiligheidsoverwegingen maakte Niek gebruik van een vals persoonsbewijs. Maar blijkbaar was dat van onvoldoende kwaliteit want bij een controle in april 1944 werd geconstateerd dat het om een falsificatie ging. Het feit dat hij illegale bladen bij zich had maakte het er voor hem niet beter op. Niek werd gearresteerd en zat van 17 april tot 22 mei vast in het Oranjehotel in Scheveningen. Vandaar werd hij overgebracht naar Kamp Amersfoort. Het zag er somber voor hem uit. Maar door een administratieve fout van de Duitsers kwam hij ‘wonderlijk-gelukkig’, zoals hij het later zelf zou noemen, nauwelijks een maand later weer vrij. Om te voorkomen dat hij opnieuw zou worden opgepakt, dook Niek onder bij de moeder van Erna in Rotterdam. De Duitsers, die inmiddels in de gaten hadden dat er iets verkeerd was gegaan, zochten hem bij zijn ouders in Amsterdam. Binnen de familie gaat het verhaal dat zijn vader bij de komst van de Sicherheitspolizei als afleidingsmanoeuvre een stuk karton pakte en daarop schreef dat zijn zoon zich moest melden. Dat bord zette hij pontificaal op de schoorsteen. De Duitsers dachten dat hij gek was en dropen onverrichter zake af. Niek bleef tot de bevrijding ondergedoken. Zijn onderduik was niet zonder tragiek. Midden in de Hongerwinter werd Louis, Nieks eerste zoontje, geboren. Het kind had een stuitligging en bij de bevalling traden er complicaties op. De kleine Louis had een zwakke gezondheid en kwam er nooit meer bovenop. Hij zou zes weken oud in januari 1945 overlijden. Niek en Erna brachten hem op een platte kar in een klein kistje naar het familiegraf.

Ondanks de zorg om zijn zoontje bleef Frank actief in de Groep Albrecht. Zijn superieuren constateerden dat het echte verkenningswerk hem niet zo lag. Hij behoorde niet tot de mannen die zich in het Sperrgebiet waagden om daar de vijandelijke eenheden in kaart te brengen. Of die zogenaamd per ongeluk een Duits officiershotel binnenliepen om een indruk te krijgen van de hogere echelons die daar verbleven. Het administratieve werk, het opstellen van de rapporten die naar Londen of de geallieerden werden verzonden, lag hem beter.

In januari 1945 werd Frank overgeplaatst van het Gooi naar de noordelijke sector van de Achterhoek. Hij werd daar sectorleider en ondersteunde ‘Gerrit’. De Duitsers waren erop voorbereid dat de geallieerden daar na de winter een aanval zouden doen. Ze hadden dan ook op strategische plekken versterkingen opgericht en hielden een sterke troepenmacht paraat. Het was daarom van belang in die regio een ervaren bezetting van de Groep Albrecht op de been te hebben. Hun taak was het de Canadese en Britse troepen van informatie over de Duitse troepen en hun stellingen te voorzien. Mede dankzij een geheime telefoonverbinding met het gebied achter de geallieerde linies waren Frank en zijn mannen daarin zeer succesvol.

Met de Duitse capitulatie in mei 1945 kwam er een einde aan de activiteiten van de Groep Albrecht en aan die van Frank. Frank werd weer Niek van der Blom en studeerde in 1946 af in de klassieke taal- en letterkunde aan de Vrije Universiteit. Al voor zijn afstuderen werd hij in december 1945 leraar oude talen aan het Amsterdamsch Lyceum. In januari 1951 verruilde hij de hoofdstad voor Rotterdam om les te geven aan zijn oude school, het Marnix Gymnasium. Aan die school bleef hij nog tot 1962 voor enige lessen verbonden. In oktober 1951 kreeg de jonge classicus een aanstelling aan het Erasmiaans Gymnasium waar hij tot zijn pensioen op 1 augustus 1982 bleef werken als een gewaardeerd leraar oude talen, schoolbibliothecaris en schoolhistoricus. Velen kenden hem ook als vooraanstaand Erasmuskenner, die vele publicaties over de naamgever van zijn gymnasium het licht liet zien.

Nooit vertelde ‘mijnheer Van der Blom’ in de klas over zijn verzetsverleden. De school moest het doen met een enkele zin in zijn curriculum vitae dat hij enige maanden voor zijn pensioen in 1982 opstelde. Daarin maakte hij melding van zijn lidmaatschap van de Groep Albrecht en zijn internering in het Oranjehotel en Kamp Amersfoort. Thuis was het zijn kinderen lange tijd verboden over de oorlog te spreken. Pas toen de televisie in de jaren zestig van de vorige eeuw de serie De Bezetting van dr. L. de Jong uitzond, werd hij daarin wat soepeler maar dan nog met mate. Het duurde tot zijn pensionering, totdat hij bereid was zijn naaste familie over zijn ervaringen tijdens de Duitse bezetting te vertellen. Echter pas nadat die daar nadrukkelijk naar had gevraagd. ‘Vooral zijn arrestatie en de ondervraging in Scheveningen waren traumatische ervaringen geweest,’ herinneren zijn zoon Niek en zijn kleindochters Henriëtte en Ida zich. ‘Hij wilde het verleden achter zich laten. Maar hij vergat het nooit.’

Bronnen:
Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), dossiers 190a. 249-0284 en 249-A0284 Groep Albrecht.
Correspondentie met familieleden van Niek van der Blom: Nicolaas van der Blom jr. (zoon), Henriëtte en Ida van der Blom (kleindochters) en Nelleke Okkerse (nicht).

Literatuur:
Abrahamse, Karin en Bram van de Schuyt, ‘Spionage in Hilversum, De Groep Albrecht 1943-1945’ in Eigen Perk 1999/2, Hilversum 1992.
Blom, N. van der, J. Smit en J. Spoelder, Florislegium, bloemlezing uit de Erasmiaanse, Rotterdamse en andere opstellen van drs. N. van der Blom, hem aangeboden bij zijn afscheid van het Erasmiaans Gymnasium, Rotterdam 1982.
Koedijk, P., J. Linssen en D. Engelen (red.), Verspieders voor het vaderland, Den Haag 1996.
Pauw, Leo, Bob de Geus (1923-1999). De oorlogsjaren van een jonge Hilversumse verzetsstrijder, concept 2022.
Rutgers, V. H. e.a., De Vrije Universiteit in oorlogstijd, Wageningen 1946.
Verzetsgroep Albrecht, Albrecht meldt zich, Wageningen 1946.
Werkgroep Herdenking mei ’40-45 en Werkgroep Beschrijving Hilversums Verzet, Hilversum onderdrukking en verzet 1940-1945, Hilversum 1985.

Illustraties:
1. Persoonsbewijs van Niek van der Blom, 1943.
2. Organisatieschema van de Groep Albrecht in augustus 1944. Frank, de codenaam van Niek van der Blom, is daarin verantwoordelijk voor het Gooi.
3. Spionagekaart van Hilversum die door de Groep Albrecht werd vervaardigd. Niek van der Blom begon daarmee en liet de kaart vervolgens afmaken door twee van zijn pupillen.
4. Niek van der Blom met zijn zuster Francien op een verhuiswagen in Amsterdam. Niek zit met zijn rug naar ons toe in een leren jas.

Historische foto: Hockeyclub Gymnasium Erasmianum 1940

Wie staan op deze foto?

In 1936 richtte de geliefde aardrijkskundedocent Han van Zuylen op het Erasmiaans Gymnasium een hockeyclub op: de Rotterdam Mixed Hockey Club Gymnasium Erasmianum (R.M.H.C. G.E.). Het lidmaatschap was populair: op 1 juni 1939 had de club 98 leden, 42 meisjes en 56 jongens. Dit op een schoolpopulatie van zo’n 320 leerlingen. De interesse was zelfs nog groter, maar een aantal aanmeldingen moest worden afgewezen door een “gebrek aan speelvelden”. In januari 1940 werd dit euvel opgelost: “na eindeloze besprekingen” mocht R.M.H.C. G.E. de nieuwe sportvelden in het Museumpark gebruiken.

De dagelijkse leiding was in handen van leerlingen. Zij namen hun taken serieus: er waren algemene ledenvergaderingen, statuten en een huishoudelijk reglement. Sportief succes was er ook. In het schooljaar 1938-1939 schreef de hockeyclub drie elftallen in voor de competities van de Zuid-Hollandse Hockey Bond (Z.H.H.B.). Het resultaat was “overweldigend”, zo staat in Tolle Lege: alle drie de elftallen werden kampioen.

Vijf elftallen van de Erasmiaanse hockeyclub R.M.H.C. G.E. bij het paashockeytoernooi van 1940. Op deze foto staan 67 Erasmianen. Van 10 leerlingen weten we wie ze zijn. Van 24 leerlingen weten we dat ze op deze foto staan, maar niet wie ze zijn. Herken jij iemand op deze foto? Speciale aandacht voor het meisje met de vlechten op de tweede rij: oorlogsslachtoffer Sonja de Jongh? Oorlogsslachtoffer Annet Fransman?

Lees wie al geïdentificeerd zijn op de foto en bij welke namen we nog een gezicht zoeken:

Paashockeytoernooi 1940 – aan de vooravond van de oorlog

De foto, van vijf elftallen van hockeyclub G.E. bij het Paashockeytoernooi in 1940, is opgenomen in het boek Het Erasmiaans Gymnasium in de Tweede Wereldoorlog – Herinneringen van oud-leerlingen (2003). Een pregnante foto, want nog geen twee maanden later zou Duitsland Nederland binnenvallen. Gerk Oberman, rechts op de achterste rij, in gestreept shirt, was dienstplichtig en werd opgeroepen, een maand voor zijn eindexamen. In maart 1945 zou hij gefusilleerd worden als verzetsstrijder. De meisjes Clara Haagman, Dora Sanders, Ineke Bosman en Liesbeth Levie, allen op deze foto, mochten na de zomer van 1941 niet terugkeren naar het Erasmiaans omdat ze Joods waren. Jan Witkop, nog niet geïdentificeerd op deze foto, zou in 1944 omkomen bij een geallieerd bombardement op Berlijn.

Onbekend Joods oorlogsslachtoffer – wie is zij?

Graag jullie speciale aandacht voor het meisje met de lange vlechten. Op de hockeyfoto zit zij op de tweede rij van voren, derde van links. Ik vermoed dat het gaat om Sonja de Jongh (Monaco, 16 juni 1927 – Auschwitz, 3 september 1943) of Annette Lena Fransman (Rotterdam, 12 juli 1927 – Sobibor, 21 mei 1943). Beide meisjes worden op het Erasmiaans nog elk jaar herdacht. En van beide meisjes is geen enkele foto bekend. Daarom zou ik het onbekende meisje graag identificeren.

Na de zomer van 1941 moesten alle Joodse leerlingen van school. De gemeente Rotterdam richtte Joodse scholen voor hen op. In – vermoedelijk – klas 3 gymnasium zat een meisje dat sprekend lijkt op het meisje op de hockeyfoto. Het online AI-programma FaceShape bevestigt dat het om hetzelfde meisje gaat. Maar wie is zij?

Links: onbekend meisje op hockeyclub Erasmiaans Gymnasium (1940). Rechts: onbekend meisje op Joods Lyceum Rotterdam, 3 gymnasium (1942).

Een naam en een gezicht

De Erasmianen hieronder zijn al geïdentificeerd op deze foto, mede dankzij oud-leerling Arthur Trijbits:

18      Gerk Oberman

24      Clara Haagman

28      Liesbeth ‘Liesje’ Levie

29      Ineke ‘Kiki’ Bosman

35a    Hayo de Boer

37      Han van Zuylen (docent/coach)

51      Kees Rijks

56      Kees Kodde

62      Tjomme Kingma Boltjes

66      Dora ‘Do’ Sanders

Wel een naam, geen gezicht

Van de Erasmianen hieronder weten we met zekerheid dat zij op deze foto staan, maar weten wij niet wie zij zijn:

Mini Maranesi, Enny Flieringa, Poele en Tine van Asselt, Eyvor de Miranda, Mieke Koomans, Mieke Hudig, Marianne Hoetink, To de Roo de la Faille, Nel van den Dorpel, Corry Dröge, Henny van Steeden, Buut Leopold, Freek Frets, Jan de Man, Paul Ruoff, Jan van Leeuwen, Jan Witkamp, Jan van Oosten Slingeland, Johan Viergever, Rieuwert Kok, Kees Punt, Rudy Fockens en Bertus Looy.

  • Herken je iemand op deze foto?
  • Ken je nabestaanden van deze Erasmianen?
  • Of vind je het leuk om wat puzzelwerk te doen? We hebben Erasmiaanse portretten uit 1937 en 1938 mét een naam erbij. Kwestie van naast elkaar leggen en goed kijken – jouw hulp is welkom!
  • We zijn ook nog op zoek naar het origineel. Wie kan helpen?

Graag horen we van je via historischekring@erasmiaans.nl.

Anne Schram Ouweneel (eindexamenjaar 1990)

Bronnen:

  • Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Databank sport, ‘Gymnasium Erasmianum (G.E.)’ (z.d.).
  • Stadsarchief Rotterdam, archief 62, inventaris 604: Tolle Lege; Maandblad voor het Gymnasium Erasmianum (februari 1939), 71-72.
  • Stadsarchief Rotterdam, archief 62, inventaris 604: Tolle Lege; Maandblad voor het Gymnasium Erasmianum (juni 1939), 39.
  • ‘Stamboom’, in Het Vrije Volk (15 januari 1981).
  • Schram Ouweneel, A., ‘Het vergeten verhaal van het Joods Lyceum Rotterdam, 1941-1943’, in Rotterdams Jaarboekje (Rotterdam, 2023), reeks 13, jaargang 1, 206-227.
  • Van der Pol-Schilthuis, Isabel, ‘Op stap met onze docent aardrijkskunde’, in Schram-Ouweneel, A. & J. van Oostendorp (reds.), Het Erasmiaans Gymnasium tijdens de Tweede Wereldoorlog; Herinneringen van oud-leerlingen (Rotterdam 2003), 160.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén