Tot onze grote spijt heeft Rosalie afscheid genomen van de vaste redactie. Haar studie Lucht- en Ruimtevaarttechniek in Delft slokt haar tijd helemaal op. Wij hebben de afgelopen jaren bijzonder genoten van haar ideeën, concepten en uiteraard de stukken die zij schreef. Ook toen zij als buitenredacteur in Rome verbleef, konden wij altijd rekenen op haar originele bijdragen. Veel dank Rosalie voor de plezierige en inspirerende samenwerking. En heel veel succes natuurlijk met je studie. Jouw verslagen uit de ruimte zijn bijzonder welkom!
Alle bijdragen van Rosalie aan de Tolle belege lees je hier terug.
Wij zijn op zoek naar een nieuwe Rosalie!
Heb je leuke ideeën en houd je van schrijven, mail ons (redactie@semper-floreat.nl) dan. De nieuwsbrief biedt alle ruimte voor de meest diverse bijdragen. De redactie vergadert voor de drie nieuwsbrieven live drie keer per jaar. Verder communiceren we online. Dus, heb je er zin in, schroom dan niet contact met ons op te nemen. We kijken naar je uit!
Nu Bouwien Bovenberg met pensioen gaat, besloot redactrice Rosalie Boddé om samen terug te blikken op haar tijd als docente klassieke talen, jaarleidster en rectrix. Ondanks dat ze het moeilijk vindt de school te verlaten, is ze blij om het stokje over te kunnen dragen aan de volgende generatie.
“U gaat met pensioen! Hoe gaat het met u?”
“Het gaat goed met mij, ondanks dat mijn tijd op het Erasmiaans langzamerhand afloopt. Ik neem nooit graag afscheid.”
“Wat vindt u moeilijk aan afscheid nemen van het Erasmiaans?”
“Het gaat om afscheid nemen van alles wat je samen doet. Met alle collega’s, alle leerlingen…”
“U had het in ons voorgesprek over een dubbel gevoel. Kunt u dat toelichten?”
“Ja, een dubbel gevoel, maar dat vind ik lastig om uit te leggen. Dat het ook een soort schuldgevoel is, van “je stopt”. Dat is de keerzijde van een verantwoordelijkheidsgevoel. Schuld misschien wel naar de samenleving dat je stopt, naar de school, terwijl: die school die draait prima door zonder mij, dat is het helemaal niet. Of een schuldgevoel naar jezelf. Onverklaarbaar…
Het is ook dat ik denk dat de school echt moet verjongen. We hebben best een grote groep docenten op leeftijd, maar we zitten ook in een tijdperk dat niet meer voor alles mensen te vinden zijn… Zolang we ze nu binnen kunnen halen moeten we dat doen. Nieuw talent, dat brengt weer een frisse wind en dat is goed.”
“Zou u dan zeggen dat u ouderwets bent?”
“Nee, maar er verandert natuurlijk heel veel in de maatschappij. Ook alle jonge mensen die nu opgeleid worden, worden op een heel andere manier opgeleid en dat is leuk om te zien. En die hebben weer kwaliteiten waar ik misschien wel jaloers op ben.”
“Mensen hebben het natuurlijk altijd over “die goeie ouwe tijd”…”
“Dat zeg ik niet hoor, dat het vroeger allemaal beter was, want je gaat mee met je tijd en elk kind mag zijn wie hij is. Je gaat met ze mee en als je iedereen ziet dan kan je er ook uit halen wat er in zit. Dan zie je ook: hé, daar zitten talenten, daar kunnen we mee verder! Dat helpt hem of haar ook weer, dat maakt het makkelijker.”
“Welke positieve én negatieve veranderingen heeft u de afgelopen twintig jaar meegemaakt op school?”
“Noch positief, noch negatief. Het is een nieuwe generatie, het is gewoon anders. Ook weer met zijn hele mooie kanten. Op een andere manier in het leven staan en naar dingen kijken. maar het is soms ook moeilijker. In de tijd van de mobieltjes, en de “het moet maar altijd goed zijn en fantastisch zijn”-tijd. En als ik niet zo ben als op dat filmpje, dan ben ik vast minder. Dat is helemaal niet zo, dat vind ik jammer. Daarom wil ik ook zo graag van de mobieltjes af in de school. De bewustwording van het feit dat je ook goed bent zonder al die onzin.”
“Welke verantwoordelijkheid voelde u daarin?”
“Je probeert daar een rol in te spelen als je de persoonlijke gesprekken hebt met de mensen. Het draait daar helemaal niet om. Het draait niet om het succes van een ander of hoe mooi een ander is, het draait om jou. En om wat er in jou zit, jouw inborst.”
“Ik moet meteen denken aan ons motto: ex pluribus unum (vert: uit velen, één). Heeft dat invloed gehad op uw rol als docent en als rectrix?”
“Dat motto, niet perse, want dat zit gewoon in je. Ook als het motto er niet was geweest, dan is het je persoon om op die manier om te gaan met je collega’s en je kinderen. Ik vind het wel heel mooi, maar het zit al wel in mij. Uiteindelijk is het ook het gevoel dat je het samen doet, met z’n allen, met elkaar, om er zo voor te zorgen dat zoveel mogelijk mensen een gelukkige schoolcarrière hebben. Ik kan het niet voor iedereen goed doen. Je raakt mensen kwijt, en daarin moet je altijd kijken, hebben we genoeg voor de leerling gedaan, of hadden we dingen anders kunnen doen? Soms denk je misschien ook wel, hadden we het anders wel gered? Dat kun je niet met zekerheid zeggen, maar ik ben wel iemand die het altijd blijft proberen tot het laatst.”
“Een echte doorzetter, dus?”
“Ja een echte doorzetter. Je kunt soms kinderen met wie het minder goed gaat ook helpen door iets anders voor ze te zoeken om erbij te gaan doen. “Hé, zou je dat leuk vinden binnen de school om te doen?”, waardoor er ineens helemaal weer een groei komt. Dan gaat een kind op een andere manier bloeien, waardoor hij de rest ook weer beter oppakt. Dat geloof ik ook bij de talenten van kinderen die topsporters zijn, of topmuzikanten, die doen twee dingen heel erg goed. Dat komt omdat ze het éen misschien nog wel iets leuker vinden dat het ander, maar ze willen het beide op hoog niveau doen.”
“Hoe bent u eigenlijk op het Erasmiaans terecht gekomen?”
“Wij kwamen in Rotterdam wonen en toen ben ik gaan werken op het Emmaus en op het Libanon. Aan het eind van het jaar kon ik een keuze maken tussen de twee, en toen heb ik het Emmaus gekozen. Daar heb ik een heel leuke tijd gehad, maar ik kreeg ook elk jaar de vraag van het Erasmiaans: “Wil je niet hier komen werken?”. En ik dacht, waarom zou ik dat doen? Ik heb het op het Emmaus prima naar mijn zin! Totdat ik me realiseerde dat ik op het Emmaus nooit iedereen leerde kennen, want ik kreeg nooit leerlingen uit de havo of van het atheneum. Ik vind het ontzettend belangrijk om daar waar je werkt, iedereen te kunnen leren kennen. Dat is op het gymnasium natuurlijk wel zo, want die volgen allemaal ook jouw vak. Toen kwam ik hier en toen kreeg ik al heel gauw de vraag of ik jaarleider wilde zijn van klas 3. Dat heb ik gedaan en dat vond ik superleuk, samen met het lesgeven en het mentoraat. Daarna kwam de vraag of ik de tweede klas er ook bij wilde doen en zo werd het steeds meer naast het lesgeven, want dat bleef ik ook altijd heel leuk vinden. Nu geef ik nog les aan één klas. Ik vind een rector die op een school geen lesgeeft heel raar.”
“Waarom vindt u dat raar? Ik heb het idee dat dat op heel veel scholen wel gebeurt.”
“Dat snap ik niet, want je wilt meemaken wat je collega’s meemaken en de leerlingen blijven kennen. Je wilt weten wat ze meemaken, wat er in hen omgaat, hoe zij de dingen ervaren, of jij ze weer van een andere kant ziet. Dat zou niet het geval zijn als ik geen lesgaf.”
“Dat raakt aan wat ik in het bijzonder aan u bewonder: uw persoonlijke betrokkenheid. Bijvoorbeeld het kennen van bijna alle namen van de leerlingen… Waar komt deze betrokkenheid vandaan?”
“Omdat ik de mens waardeer. Het persoonlijk contact vind ik ontzettend belangrijk. Mij zou je niet op een kamertje moeten opsluiten om alleen maar beleidsstukken te schrijven. Ik vind de band die je probeert op te bouwen… ’s Ochtends sta ik bijvoorbeeld altijd beneden bij de deur en soms zie je dat een kind anders binnenkomt dan dat hij normaal binnenkomt. En dan denk ik: “Hé, zou er wat zijn of…?” Dan ga je praten om te kijken of wat je ziet ook klopt. Ik hou dat wel in de gaten.”
“Als u dan merkt dat het inderdaad niet zo goed gaat met een leerling, vindt u het dan moeilijk om zoiets los te laten als u naar huis gaat?”
“Als je het niet goed afsluit wel, maar ik denk ook dat je in de loop der tijd dat je een leerling helpt ook wel de mogelijkheden gaat zien, de wegen die een leerling kan bewandelen. Als je dat bespreekt, kan een leerling toch op een andere manier weer weggaan dan hij anders was weggegaan. Maar goed, er is natuurlijk altijd een zorg, bij iedereen. Reken maar dat er achter elke voordeur wat speelt. Je neemt die zorg altijd mee. Dat is niet perse moeilijk, maar meer meedenkend: hoe kunnen we hem of haar het best helpen? En ik zie natuurlijk ook niet alles.
“Van de dingen die er zijn veranderd de afgelopen jaren op het Erasmiaans… Wat is er veranderd waar u blij mee bent? Wat zou u uw opvolger mee willen geven?”
“Ik denk dat er rust is in de school. En wat de volgende rector ziet, dat gaat hij oppakken. Want niemand doet het op de manier waarop jij het doet en gelukkig ook maar. En dat bedoel ik ook met een nieuwe generatie binnenlaten. Het brengt weer heel andere dingen met zich mee. En wat ik leuk vind nog altijd aan de school zijn al die tradities, al die mogelijkheden voor elke leerling. Als je het leuk vindt om te debatteren dan kan dat. Je kan bij het EEP, EEYP, EEPD, naar het MUN, je hebt de debatclub. Vind je het leuk om iets extra’s te doen met de talen? Het kan allemaal. Je kunt meedoen met olympiades. Toneel is er, muziek is er; dat zijn ook allemaal eindexamenvakken. We hebben net weer Erasmiaanse namen gehad. De dodenherdenking. Eigenlijk is het zo indrukwekkend. Dan zijn er drie lezingen van iemand die over zijn leven vertelt in de oorlog, en de aula is muisstil. Drie sessies lang. Dan zitten ze gewoon een uur geconcentreerd te luisteren. En ze kunnen dat! Soms denken we dat ze het niet kunnen, maar ze kunnen dat. Wij moeten ze boeien om dat voor elkaar te krijgen, maar er staat daar iemand die met respect wordt behandeld.”
“Is dit onderscheidend voor het Erasmiaans?”
“Nou, omdat het al zolang gebeurt, weet iedereen dat het er is. Het open podium, de bandjesavond, de schoolkrant en dat soort dingen zijn er ook op andere scholen. Dat geloof ik wel, maar het blijft áltijd en het wordt altijd een stukje beter. Het verrijkingsproject, het Honours-program… Dat zijn allemaal dingen die in de loop van de tijd ontstaan zijn en die het voor mensen ook leuker maken. Waarbij je in eerste instantie denkt, moeten ze dit wel leren? Leerlingen kunnen dan ook zichzelf aanmelden. Je kunt ze ook over het hoofd zien en dat een leerling dan denkt: “Waarom ik niet?” Nou, waarom eigenlijk niet? Kom er ook bij! Maar het feit dat je denkt: “Ik hoor daar ook bij!”, dat vind ik ook mooi. Iemand haalt misschien wel zesjes, omdat je hem niet genoeg uitdaagt. Als je maar weet dat iemand ermee loopt of dat je erin mee kunt denken, dat je dan iemand dat stapje verder kunt helpen.”
“Vindt u het niet tegelijkertijd ook een valkuil, dat er zoveel mogelijkheden zijn?”
“Dat kan. Het is natuurlijk een vrijheid, maar ook een beperking. Iemand die het aankán, die moet het ook vooral dóen. Maar zie je dat het z’n valkuil wordt, dan moet je ook kunnen zeggen: “Nou, even niet. Misschien op een ander moment weer, maar we gaan nu even een stapje terug om even te kijken naar wat we dan moeten doen.” Dus het is een valkuil en tegelijkertijd ook zorgen dat je het weer oppakt. Zo heet het ook hè, met vallen en opstaan. Soms heb je zelfs een leerling die zegt: “Ik heb me in de eerste klas eigenlijk verveeld. Ik zit nu in de tweede, maar zou eigenlijk naar de derde willen.” Pittig. Dan zeg je: “Start even in de tweede met een paar vakken van de derde klas.” Dan kijken we aan het eind van de maand even hoe het ervoor staat. Zo kunnen we langzaam stapjes zetten. En alleen al dat dat vertrouwen gegeven wordt…”
“Om het af te sluiten: Wat is het advies dat u zou geven aan de leerlingen en aan de nieuwe rector?”
“Aan de leerlingen… Blijf nieuwsgierig en laat je uitdagen. Je mag de ander ook uitdagen. Toon die initiatieven. Doe het samen. Samen maken we het alleen maar beter en sterker in een wereld die best complex is. Blijf jezelf.
En aan de nieuwe rector… Laat je verrassen. Sta open. En wees er voor iedereen, maar dat zal mijn opvolger ongetwijfeld ook doen. Ik denk dat het hele mooie stappen zijn die deze rector kan zetten, en dat de rector samen met meneer Melsert en de staff elkaar goed aan kunnen vullen.
Tot slot zou ik graag van dit podium gebruik willen maken om iedereen te bedanken dat ik hier zolang heb mogen werken. Ik ben rector geweest in eer en geweten. Alles wat je doet, doe je in eer en geweten, vanuit een goed hart. Bedankt!”
Sinds kort geef ik examentraining Nederlands. Afgelopen weekend was ik samen met een leerling druk bezig met een lastige tekst, waarin wintersporters vergeleken werden met de zieken van vroeger, die naar een hooggelegen sanatorium afreisden om daar te genezen door schone lucht. “Weet je wat tbc betekent?”, vroeg ik haar. De leerling begon te lachen: “Ja, maar ik wist niet dat mensen vroeger helemaal naar de bergen gingen om te blowen!”
Vanaf het moment dat je geboren wordt, begint het al: je krijgt een nummer, je BSN. Op de basisschool ben je, vaak afhankelijk van je voorletter, leerling “zoveel” uit groep 7, op het Erasmiaans leerling 186 met startjaar 2017. Nummer 2017186 dus. Wanneer je gaat studeren krijg je een studentnummer, een reeks van zeven à acht cijfers die nog belangrijker is dan je achternaam: op een tentamen noteer je eerst je nummer, dan pas hoe je heet. Nu zijn dit slechts onschuldige voorbeeldjes. Duik je iets dieper de geschiedenis in, zie je dit fenomeen op veel gruwelijkere wijzen terugkeren. Denk bijvoorbeeld aan het brandmerken van tot slaaf gemaakten met de voorletters van hun eigenaar, of het tatoeëren van een cijferreeks bij gevangenen in concentratiekampen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoewel het in de context van bijvoorbeeld een school of universiteit heel handig kan zijn om cijfer- en letterreeksen te gebruiken in plaats van ieders naam, moeten we oppassen dat dit in het dagelijks leven niet de standaard wordt. Door mensen te zien als nummer, reduceer je individuen tot een anonieme statistiek.
Afgelopen zomer ben ik begonnen aan een bachelor aan de TU Delft. Na het terugkrijgen van een cijfer, ontploffen de groepsapps al snel over de statistieken, een grafiekje van de cijferdistributie dat door de professor wordt gedeeld. Wat was het gemiddelde? Beter of slechter dan vorig jaar? Hoeveel mensen hadden een 8? Hoe heb ik gescoord ten opzichte van de rest? Vergelijkbaar met hoe dit er op het Erasmiaans aan toe ging wanneer iedereen direct de resultaten besprak, verandert je gevoel over het behaalde resultaat al snel. Die 6,8 waar je eerst zo blij mee was, wordt al snel een magere voldoende, je realiserend dat zestig procent van je medestudenten tussen de zeven en de acht heeft gescoord. Dit is een simpel voorbeeld van een manier waarop we onszelf heel onbewust reduceren tot een cijfer. Je haalt een zes, voelt je ondergemiddeld, zonder stil te staan bij allerlei factoren die tot deze cijfers hebben geleid. Jij was een weekend ziek, en hebt de verjaardag van je oma gevierd (en het erg laat gemaakt). Bovendien is wiskunde nooit je sterkste vak geweest, maar heb je toch die zes mooi binnengesleept. Anderzijds heeft die meid met een zeven er juist keihard voor geblokt en was ze teleurgesteld om “slechts” een zeven te halen. Hoewel dit heel basaal klinkt (wat boeien die cijfers over een paar jaar nog?) is dit in de kern waar “het wegcijferen” van mensen om draait. We vergeten allemaal dat het gaat om echte personen met een eigen leven naast hun opleiding, in plaats van een grafiekje dat we via de mail binnenkrijgen. Dat student 6247597 een onvoldoende heeft gehaald, omdat zijn kat de dag voor het tentamen is overleden, is echter in geen enkele tabel of grafiek weergegeven.
Dit principe zie je op veel grotere schaal ook in de politiek voorkomen. Wanneer het huidige kabinet-Schoof het heeft over de zogeheten asielcrisis, horen we slechts termen als “asielplaag” en “vluchtelingenstromen”, die direct een negatief beeld en vooroordelen teweeg brengen. Er wordt gesproken over miljoenen mensen die Europa overspoelen, cijfers die vaak compleet uit context worden getrokken. Ditzelfde zien we wanneer er gesproken wordt over het Israël-Palestina conflict. Bizarre gegevens als “negentig procent inwoners van Gaza ontheemd” of berichtgeving over het aantal slachtoffers aan beide kanten, zijn slechts betekenisloze cijfers geworden. We zien nauwelijks meer dan een objectief getal. Een statistiek die niets meer is dan een woord in zwarte letters op een wit scherm. Een term die niet in staat is de emoties, herinneringen, verhalen en pijn van deze talloze mensen te vangen. Komt dat even goed uit voor veel politici die een eenzijdig beeld proberen te schetsen. Een ander voorbeeld is de langstudeerboete die het kabinet graag zou willen invoeren. Er wordt gerekend op zo’n 95.000 langstudeerboetes per jaar (285 miljoen euro voor de staatskas). Lees: 95.000 studenten met of zonder studieschulden, burn-outklachten, prestatiedruk en sociale levens. Lekker makkelijk!
Hoewel ik niet zeg dat dingen als leerlingnummers en BSN’s (gezien hun practische aard) compleet afgeschaft moeten worden, lijkt het me zinnig om soms verder te kijken dan die cijferreeks. Wat mij van het Erasmiaans goed bijstaat is juist de persoonlijke aandacht die er voor iedereen is. Het feit dat je in de eerste klas door mevrouw Bovenberg wordt aangesproken met je voornaam, alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat ze al weet wie je bent, voor je ooit gesproken te hebben. Het telefoontje en de beterschapswens van de administratie wanneer je tien minuten te laat bent voor je eerste les en ziek thuis blijkt te zijn. De tientallen docenten die altijd open staan voor een goed gesprek en oprechte interesse hebben in hoe het met je gaat. Ik denk dat ons welbekende motto, Ex Pluribus Unum, op een grotere schaal toegepast zou moeten worden. Laten we ieders individuele talenten, emoties en verhalen niet zomaar verhullen door er een cijfer op te plakken. Samen staan we een stuk sterker, juist wanneer je van ieders unieke vaardigheden gebruik weet te maken. Van een beetje empathie en interesse is de wereld immers nooit slechter geworden.
Delft, Rotterdam, Nijmegen, Leiden of toch Groningen? Universiteit of liever hbo of mbo? Ga je bij een vereniging, en zo ja, welke dan? Op kamers, ja of nee? En weet je zeker dat je dit jaar al wilt studeren en geen tussenjaar neemt? Om niet eens te beginnen over hoe ingewikkeld DUO, Studielink en alle mailtjes van de universiteit zijn. Tijdens mijn hele tussenjaar heb ik net als vele andere Erasmianen, die dit jaar eindexamen hebben gedaan, tegenover dit soort vraagstukken en problemen gestaan. Naast de vele beslissingen die er gemaakt moeten worden, spelen er ook andere dingen in ons leven. Je bent net (of bijna) achttien jaar en krijgt een heleboel nieuwe verantwoordelijkheid op je bordje. Wat je na de zomer te wachten staat weet je niet, en belangrijker nog, wie je na de zomer te wachten staat, weet je ook niet. Waar vijf dagen per week de grootst mogelijke afstand tussen jou en je vrienden de afstand tussen lokaal 004 van Kramer en lokaal 227 was, verspreiden jullie je nu als een koffievlek over Nederland (en wie weet wel verder). Dat is eng.
KolderdagExamenborrel
Het moment dat het voor het eerst tot me doordrong dat we allemaal een andere kant op zouden gaan, herinner ik me nog goed. Het was Koningsdag 2023 en ik was met een van mijn goede vriendinnen op een feest van Augustinus, voor haar een voorproefje op het studentenleven in Leiden. Na een lange middag feest, barstten we beiden middenin een pizzeria in tranen uit. Het magische studentenleventje dat nog heel ver weg leek, werd ineens heel echt en de realisatie dat we niet wisten hoe alles zou gaan lopen kwam flink binnen. Hoewel je weet dat je de leukste jaren van je leven gaat hebben, moet je ook afscheid nemen van je jonge jaren op het Erasmiaans, die tót dat moment op hun eigen manier de leukste van je leven waren.
Tips en tricks voor hospiteeravonden, brakke vrijdagen en het leren voor alle tentamens kan ik jullie nog niet geven. Wat ik jullie wel kan vertellen, is dat je je geen zorgen hoeft te maken. Het feit dat de voordeur sluit, hoeft niet te betekenen dat de achterdeur niet nog op een kiertje staat. Zelfs na mijn jaar in het buitenland was het eerste avondje met iedereen in Nederland weer als vanouds. Dezelfde stomme grappen die gemaakt werden door dezelfde geweldige mensen om me heen: daar hoef je elkaar niet dagelijks voor te spreken. Er staat alweer een datumprikker in de groepsapp voor ons maandelijkse etentje, en de stedentripjes van deze zomer zijn al geboekt. De mensen waar je zo’n groot deel van je tienerjaren mee hebt gespendeerd, zijn niet zomaar van de aardbodem verdwenen wanneer ze naar een andere stad verhuizen. En die wereld die nu ontzettend groot lijkt, is toch een stuk kleiner dan je denkt.
Voor alles wat er de komende maanden komen gaat heb ik totaal geen zenuwen meer. De kans is groot dat mij dat het vreemde eendje in de bijt maakt, maar misschien ben ik daarom juist de persoon die nieuw licht op de situatie kan schijnen. Zes jaar geleden, toen we op z’n Erasmiaans werden geïnaugureerd en voor het eerst onze klasgenoten ontmoetten, stuk voor stuk jong, onzeker en onwetend, stonden we allemaal met knikkende knietjes in een grote kring ons voor te stellen. Ik durf er mijn hand voor in het vuur te steken dat geen van ons had voorzien wat een mooie tijd we zouden beleven met zo’n fantastische groep mensen. Nu ik terugkijk op dit soort momenten, kom ik al snel tot de conclusie dat die spanning nergens voor nodig was; we zijn allemaal op onze pootjes terecht gekomen.
Dat was ‘m dan mensen, je middelbare schooltijd! Het Erasmiaans hebben we nu wel uitgespeeld, dus is het tijd voor nieuwe plekken, nieuwe mensen en nieuwe ervaringen. Het is einde van een tijdperk, een verlossing die voor sommigen niet snel genoeg kon komen, het begin van je grotemensenleven. Althans, je bent nu meer een soort puber met verantwoordelijkheden. Aan iedereen voor wie dit stuk niet voelt als een trip down memory lane, maar harde realiteit is, wil ik het advies geven dat ik graag aan elfjarige Rosalie had willen meegeven, hetzelfde advies dat ik mezelf nu wéér geef: Maak je niet zo druk. Vergeet er vooral niet van te genieten.
Alle wegen leiden naar Rome. Eind oktober afgelopen jaar, ook die van mij. Tijdens de Romereis in 2021 kwam ik al snel tot de conclusie dat deze stad te bijzonder was om er slechts zes dagen te spenderen, dus leek het me zinnig om er een tijdje te gaan wonen. Italiaans leren, iedere dag pasta eten, alle musea uitspelen, spritz drinken in het zonnetje, mensen ontmoeten van over de hele wereld; zeggen dat ik me hier prima vermaak is zacht uitgedrukt.
Rosalie Boddé op een feestje, uiterst rechts.
Toch weet ik, wanneer iemand me vraagt hoe het Romeinse leventje bevalt, vaak niks anders te zeggen dan dat Rome net zo mooi is als ze altijd al geweest is. Het voelt hier welkom, warm en iedere dag sta ik er opnieuw van versteld dat ik met mijn 17 jaar terecht ben gekomen op een plek die niet voor niets “De Eeuwige Stad” wordt genoemd. Om dagelijks langs plekken te lopen vanuit waar een paar duizend jaar geleden een wereldrijk is ontstaan, waar geschiedenis is geschreven, dat is een onbeschrijflijke ervaring, die ik toch op papier ga proberen te zetten.
In het Italiaans wordt het woord ‘klein’ (piccolo), iets anders gebruikt dan in het Nederlands. ‘Klein’ houdt namelijk niet alleen fysieke omvang in, maar kan ook met leeftijd te maken hebben. Zo is mijn broertje, die een flinke twintig centimeter langer is dan ik, hier toch mijn ‘kleine’ broertje, en ben ik, ondanks dat ik zelfs naar Italiaanse maatstaven niet als lang word beschouwd, ‘grote’ zus. ‘Piccola’ is hoe ik me hier voel.
Ik ben slechts een stille bewonderaar op de plek waar Romulus en Remus op de oever zijn beland, waar Julius Caesar om het leven is gebracht, waar Augustus de Pax Romana creëerde en waar in de honderden volgende jaren talloze kunstenaars de verhalen en gebeurtenissen uit deze tijd hebben geprobeerd vast te leggen. Op iedere hoek van de straat vind je iets bijzonders, of het nu gaat om een gebouw in de barokke stijl, een kerk die vanbinnen stiekem spectaculair is, of een op het eerste gezicht lelijk standbeeldje, dat blijkt te behoren tot een van de sprekende beelden van Rome. Het is wandelen door een geschiedenisboek, waarin je slechts ademloos kunt toekijken.
Mijn favoriete museum blijft de Galleria Borghese. Als gymnasiast in hart en nieren gaat mijn hartje daar sneller kloppen, en dan met name van de Bernini’s. De manier waarop Bernini een compleet verhaal kan vertellen en zoveel emoties kan uitdrukken met een onbeweeglijk beeld, is bewonderenswaardig. Het is alsof marmer tot leven komt, alsof hij de tijd even heeft stilgezet. Het vastleggen van die eeuwenoude verhalen, lijkt me de essentie van wat Rome als stad inhoudt.
Tijd is vergankelijk. Wat niet wordt gedocumenteerd, wordt na verloop van tijd onherroepelijk vergeten. Doordat Bernini, en samen met hem vele andere kunstenaars en schrijvers, de verhalen van bijvoorbeeld Daphne en Apollo en de Roof van Persephone heeft uitgebeeld, heeft hij van een vergankelijk verhaal iets onvergetelijks gemaakt, en tegelijkertijd ook zichzelf een plekje in de geschiedenis gegeven. Rome zelf is net zo: het is een constante herinnering aan het verleden. We leven, wonen en werken tussen de restanten van een vergaan wereldrijk, wat de stad zelf het levende bewijs maakt van wat ze duizenden jaren geleden was.
De Romein zelf lijkt zich niet altijd bewust te zijn van de schoonheid van de stad. De afgelopen paar maanden heb ik een baantje gehad als barista op Piazza Navona. Hoewel ik gemiddeld vier keer per week dit piazza overstak en vervolgens urenlang espresso’s serveerde met uitzicht op het plein, is de aanwezigheid van de prachtige fonteinen en de Sant’Agnese in Agone nooit vanzelfsprekend geworden. In mijn fotogalerij staan tientallen foto’s, allemaal op een andere dag vanuit net een andere hoek genomen. De Romeinen daarentegen lopen er voorbij zonder op of om te kijken. Of het gewenning is of onwetendheid weet ik niet, maar ik kan me niet voorstellen dat het ooit minder bijzonder wordt voor ieder die ooit geraakt is door deze kunstwerken. Zoals het gezegde in het Italiaans luidt: “La bellezza è negli occhi di chi guarda.”
Op het moment van schrijven, ga ik het kleine leventje dat ik hier in een half jaar heb opgebouwd alweer bijna moeten achterlaten. Over drie weken ga ik namelijk samen met een vriend op reis door Italië. Twee maanden, die wij inmiddels hebben omgedoopt tot onze “Giro d’Italia”. Kleine meisjes worden nu eenmaal groot, en ook aan dit tussenjaar, hoewel acht maanden voor vertrek klonk als een eeuwigheid, komt langzaam een einde. Hoe ik het gehad heb in Rome? Geweldig, Rome is nog net zo mooi als ze altijd al geweest is.
Rosalie Boddé is oud-leerling (2023) van het Erasmiaans Gymnasium en trots lid van Semper Floreat.