🤝 Vind elkaar op LinkedIn!

Sticky bericht

Semper Floreat en LinkedIn-groep Erasmiaans Gymnasium Alumni slaan de handen ineen. Volg de pagina, betreed de groep en verlies jouw oude schoolvrienden nooit meer uit het oog! Mis je een mede-Erasmiaan? Verspreid het woord en nodig hem of haar ook uit op het digitale Forum Erasmianum!

d’Hane-Scheltema krijgt een 10 voor haar vertaling

Wij ‘lazen’ op school Ovidius, weet je nog? Terwijl ik het opschrijf moet ik meteen grinniken, want dat had natuurlijk niets met lezen te maken. Onder een dekentje op de bank en je onderdompelen in de Metamorfosen, zoals in een roman of historisch werk, desnoods een dichtbundel? Niets van dat al, we nóemden het alleen lezen, bij gebrek aan een beter woord. Dit was hexameters uitpluizen in een poging orde aan te brengen in die verduvelde woordenbrij, omwille van het ritme stonden de woorden immers schots en scheef door elkaar. Woordenboek ernaast, vanzelfsprekend. Zo ‘lazen’ wij Ovidius.

Het resultaat was die uiterst curieuze proza-uitscheiding, voorbehouden aan jonge gymnasiasten: de Nederlandse omvorming van een klassieke tekst tot een grammaticale en semantische hinkelbaan waaraan je met een beetje goede wil betekenis kon ontlenen, boordevol archaïsch-Nederlands taalgebruik dat pijn deed aan je ogen. ‘Voorwaar’ – dergelijke termen.

Wilde je een voldoende halen voor je proefwerk, dan moest de Latijnse bron vooral door het krakkemikkige Nederlands heen zichtbaar blijven. Parafraseren was verboden, het ging erom dat je bewees de taalstructuur te hebben begrepen. Althans, zo ging dat in de jaren zestig en zeventig.

De poëtische vertaling van alle vijftien boeken van Ovidius’ Metamorfosen door Marietje d’Hane-Scheltema, nota bene mét behoud van de hexametrische regelvorm, is een staaltje apart. Hoe heeft ze het in vredesnaam voor elkaar gekregen? En vraag twee, zou ze hiermee een voldoende hebben gescoord op school?

d’Hane-Scheltema (1932) was docente op het Erasmiaans – en is, voor zover bekend, nog niet afgedaald naar de Hades – en moet generaties lang tidbits Grieks en Latijn hebben gevoerd aan leerlingen en zelf talloze onvoldoendes hebben uitgedeeld aan suffe of onwillige tieners. Je kunt jezelf moeilijk beoordelen, of je moet Johan Cruyff heten.

Kort en goed, ik had ‘Marietjes’ vertaling decennia in de kast staan, ongelezen en wel en het leek erop alsof de ongebruikte status eeuwig zou voortduren. Er zat nog een prijssticker achterop van Hfl. 49,-.

Op mijn pad verscheen echter Cees N0otebooms Een volgend verhaal, waarin de hoofdpersoon nogal hardnekkig aan Ovidius refereert. ‘n Eerste kennismaking met werk van onlangs overleden Cees was dat en het viel bepaald niet mee. Heel ingewikkeld schrijven over simpele dingen. Wat er zich zo nu en dan aan handeling afspeelt: geen idee.

Enige kennis van de klassieken en met name de Metamorfosen strekt tijdens lezing tot aanbeveling. Hoofdpersoon in Een volgend verhaal is classicus en die mijmert, droomt en fantaseert aan een stuk door op onnavolgbare wijze. De cruciale knokpartij op het schoolplein inzake een curieus kwartet – de classicus, een scholiere, de gymleraar die met haar overspel pleegt, en diens vrouw die juist een relatie heeft met de classicus – is in een halve pagina voorbij. Je moet het fragment ettelijke malen lezen om het te kunnen volgen. De classicus krijgt overigens van alles de schuld van de rector en wordt ontslagen. Snapt u het nog? (De ontvangers van dit Boekenweekgeschenk (1991) zullen zich vaak genoeg achter de oren hebben gekrabd.)

Nooteboom gecombineerd met de tentoonstelling ‘Metamorfosen’ in het Rijksmuseum waaraan zoveel aandacht is geschonken in de landelijke pers – werken van onder meer Caravaggio en

Bernini, toe maar – bleek voldoende stimulans om de sprong in het diepe te wagen. D’Hane-Scheltema ter hand en huppakee, onder een dekentje op de bank, bij wijze van spreken.

Van de circa 250 verschillende gedaantewisselingen in het boek kwamen talloze me bekend voor, maar van nog veel meer verrassende en vaak bizarre gebeurtenissen was ik onkundig. De (soms hernieuwde) kennismaking was prettig tot soms onthutsend. Niet zelden dacht ik tijdens het lezen: aha, dus dáár komt dit of dat vandaan, o, dus zó zat dat… Maar ook: gadverdamme, wat gebeurt híer voor onuitsprekelijk goors?!

Uit elk van de vijftien boeken lepel ik hieronder het gekste verhaal of voor mij meest onverwachte moment op. De overige circa 235 gedaanteverwisselingen laat ik ongemoeid.

Boek I – Liefdesgod Cupido bezit een pijl en boog, waarmee hij het op personen gemunt heeft. Een pijl met een gouden punt bezorgt de getroffene een grenzeloze liefde voor zijn of haar object. Dat weet iedereen. Hij heeft echter ook een pijl met een loden punt: het slachtoffer dáárvan wordt of blijft ongevoelig voor de liefdesbetuigingen van de smekeling. Zie bijvoorbeeld Apollo en Daphne. De laatste is geraakt door een loden punt en zet het dus op een lopen voor de god. En de rest is geschiedenis. Van die verschillende pijlpunten en hun tegengesteld effect was mij niet bekend.

Boek II – Tijdens een verder niet ter zake doende ruzie tussen Apollo en Mercurius verschijnt een zekere herder Battus ten tonele. Die belooft aan beide goden geheimhouding over iets wat ze hem hebben opgedragen. Battus, ‘praatgraag’ of ‘babbelziek’, doet zijn naam eer aan en brieft de wetenschap telkens gewoon door aan een kemphaan zodra hij informatie inwint over de ander. Voor straf wordt hij in een steen getransformeerd. Een van de pseudoniemen van Hugo Brandt Corstius was Battus. Was mij niet bekend dat de (gevreesde) columnist leentjebuur had gespeeld bij Ovidius. Hij was in zijn overtuigingen en opvattingen inderdaad zo onwrikbaar als een steen.

Boek III – Jager Aktaion begluurt tijdens een tocht door het bos jachtgodin Diana, die op dat moment, zich onbespied wanend, met enkele nimfen poedelnaakt een duik neemt in een meertje. Dat komt hem duur te staan. Zodra kuise Diana hem ziet ontsteekt ze in razernij, transformeert Aktaion in een hert, waarna de voyeur door zijn eigen jachthonden aan stukken wordt gereten. Ovidius, die zijn lezerspubliek met graagte bediende als het ging om opsommingen van eigennamen (personen, steden, rivieren enzovoorts, en in dit geval honden), schetst een uitvoerig beeld van de meute. Elk van de honden heeft een voor zijn eigenschappen typerende naam. Ovidius noemt er dertig (!) van de vijftig met naam en toenaam en sluit dan droogkomisch af met: ach, in feite te veel om op te noemen. Toen ik dat las schoot ik in de lach.

Boek IV – De hoogst aantrekkelijke Hermaphroditus – in ons taalgebruik nog steeds bekend als aanduiding van tweeslachtigheid – is weer zo iemand die begeerd wordt maar niet begeerd wíl worden. Zijn aanbidster Salmacis, bosnimf, doet haar uiterste best hem te verleiden, maar de prachtige jongeman moet niets van haar weten. Hij is zo onverstandig in de poel van Salmacis te gaan badderen, waarna zij hem in het water omstrengelt en hij en de nimf vervolgens (tóch) één worden. Nog afgezien van het feit dat ik me nooit gerealiseerd heb dat de jongeling een zoon is van Hermes en Aphrodite, terwijl dit toch zo makkelijk van zijn naam is af te lezen, zag ik tijdens lezing (nu pas) de origine van het Genesis-nummer The Fountain of Salmacis van de elpee Nursery Cryme (1971). Zo vaak beluisterd en dan een halve eeuw later pas de realisatie dat het verhaaltje rechtstreeks uit de Metamorfosen stamt… Tja, de band Genesis ontstond dan ook op Charterhouse School, het waren oorspronkelijk schoolvrienden: ze zullen als tieners best Ovidius ‘vertaald’ hebben.

Boek V – Goden zijn kortaangebonden types; je moet niet met hen dollen. Neem nu Ceres, godin van de akkerbouw, wanhopig op zoek naar haar dochter Proserpina, geschaakt door de god van de onderwereld, Hades. Ceres reist de hele wereld over, tevergeefs. Doodmoe klopt ze bij een huisje aan. Een oud vrouwtje doet open en op de goddelijke vraag om wat te drinken, ontvangt zij een beker zoete drank, besprenkeld met gebrande gerst. Dat smaakt! Dan verschijnt een jongen uit het huisje, die Ceres begint uit te lachen. Hij noemt haar een zuipschuit. Diep beledigd gooit de godin de inhoud van de nog halfvolle nap over de praatjesmaker heen; in een mum van tijd krijgt hij poten, een staart, hij verschrompelt en wordt piepklein. Waar de drankspetters te zien waren, zitten nu vlekken op z’n lijf. Een sterhagedis! Het oude vrouwtje barst in tranen uit, probeert het mormel nog te pakken maar het reptiel schiet in een hoek.

Twee vragen: de sterhagedis komt vooral in het zuiden van Afrika voor. Wat wisten de Grieken en Romeinen hiervan? En: dronk Ceres daar een glaasje bier? Op die laatste vraag is het antwoord ja. In Mesopotamië dronk men gerstenat. Ik associeerde die contreien voordien vooral met wijn.

Boek VI – Godin Latona is door Jupiter bezwangerd en zwerft rond met de babytweeling Apollo en Diana, op de vlucht voor de repercussies uit de koker van de jaloerse gemalin van de oppergod, Juno. Na veel omzwervingen komt zij in Lycië terecht, ergens in het huidige Anatolië. Dorstig knielt Latona neer bij een poel om zich te laven. Plaatselijke boeren staan dit niet toe, sterker nog, zij maken van het kostelijke drinkwater een modderpoel door er scheldend in te dansen en stampen. Dat hadden ze beter niet kunnen doen. Latona verandert hen in kikkers. Die episode levert een fameuze passage op: quamvis sint sub aqua, sub aqua maledicere temptant (letterlijk: hoewel ze onder water zijn, proberen ze onder water te schelden), waarin de dichter met het herhaalde ‘qua’ het gekwaak van kikkers imiteert. d’Hane-Scheltema blijkt er nog een schepje bovenop te kunnen doen: ‘…schaamteloos kwaadaardig / kwaakt onder water zelfs dat waterig gekwater door.’ Schitterend vertaald toch?

Boek VII – In Boek IV hadden we al kort kennisgemaakt met Echidna, half vrouw, half slang, de moeder van vervaarlijke hond Cerberus. Wraakgodin Tisiphone gaat daar namelijk – waarom, dat doet er nu even niet toe – een echtpaar vergiftigen met Waanzin. In haar toverdrank vinden we de ingrediënten hondenspeeksel en slangenslijm van moeder en zoon. Ja, daar kan niets goeds van komen. In Boek VII ontmoeten we Echidna weer, op het moment dat Medea een toverdrank brouwt om dood en verderf te zaaien, op basis van de wolfswortelplant uit Scythië. Wolfswortel is gegroeid uit het rondvliegende schuim van Echidna’s woedende hondenzoon, als Hercules hem aan z’n nekvel uit de diepste diepten der aarde omhoog sleurt. Eenmaal in het daglicht stolde dat schuim en groeide er een plant uit die ook wel akoniet wordt genoemd. Aldus Ovidius, die het ook niet zeker lijkt te weten, zoals wel vaker in zijn gedicht: dan maakt hij gebruik van tussenwerpsels als ‘ze zeggen dat…’ of ‘zo gaat het verhaal…’ In elk geval, van akoniet moet je verre blijven want z’n giftigheid is enorm. In de boeken over Harry Potter komt akoniet (ook wel monnikskap) voor om toverdranken mee te bereiden.

Scythië, een ruim bemeten gebied rond de Kaukasus, was in Ovidius’ tijd een plek waar onheil vandaan kwam. Onheil in de verbeelding van Ovidius stamde vaak uit dit vaag omlijnde gebied van de Scythen, een ruitervolk rond de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. Sergei Prokofiev’s Scythische Suite was regelmatig te horen in de Doelen, toen alles nog koek en ei was tussen Valéry Gergiev en het Rotterdams Philharmonisch… Gergiev is zelf een Osseet, dus voelde verwantschap met de – bij tijd en wijle oorverdovende – compositie. De uitvoeringen zijn onvergetelijk.

Tevens neemt de naam Echidna elke ware fan van Frank Zappa meteen mee op tijdreis naar 1974, toen het live dubbelalbum Roxy & Elsewhere verscheen, waarop de instrumentale compositie Echidna’s Arf (Of You) figureert. Een ritmisch hondsmoeilijk – leuke woordgrap! – maar wonderschoon nummer. Nooit de moeite genomen om de herkomst van de naam uit te pluizen, luie vlegel die ik ben; Ovidius werpt de verklaring me als het ware gratis in de schoot, na al die jaren.

Boek VIII – De beeldschone en oersterke Atalanta neemt deel aan de zwijnenjacht in het Griekse stadje Calydon, net als Meleager. Die zwijnen maken er een potje van. Ze vernielen de horticultuur en rijgen de bevolking aan hun slagtanden. Na langdurige strijd delft het reuzenzwijn het onderspit. Onderwijl is Meleager al hopeloos verliefd op Atalanta en hij gunt haar een deel van de buit. Twee medejagers protesteren en worden een kopje kleiner gemaakt door de vurige verliefde. Het blijken zijn ooms, broers van zijn moeder Althea. Op haar beurt laveert deze tussen moederliefde en noodzakelijke zusterwraak. Ze kiest voor het laatste en laat haar zoon Meleager sterven door een tovertruc. En nu komt het: zijn zusters zijn ontroostbaar, het verdriet is ondraaglijk. Zij blíjven maar rouwen, totdat het Diana te gortig wordt en zij de zussen verandert in… parelhoenders! Zo kunnen zij klapwiekend de tragiek ontvluchten.

Hoe vaak heb ik in restaurants niet het water in de mond gekregen van ‘guinea fowl’ op de kaart en ze vervolgens met smaak verorberd? Dat kán in het vervolg niet meer: geen parelhoen meer voor mij. Verdrietige zusjes eten we niet.

Boek IX – IJzersterke Hercules, de alleskunner die de Twaalf Werken met succes afrondde – als baby wurgde hij immers al een slang – komt op een gruwelijke manier aan zijn einde. Toegegeven, in de Metamorfosen zijn relatief gezien moord, verkrachting, verminking en bizarre goddelijke straffen prominent aanwezig, maar wat deze mannetjesputter overkomt tart elk bevattingsvermogen. En dat ook nog door stom toeval. Hercules had namelijk de centaur Nessus gedood, omdat het menspaard zijn vrouw Deianira begeerde. Dat leverde Deianira een met centaurbloed doordrenkt kleed op, dat betoverd en uiterst giftig blijkt. Als de vrouw nietsvermoedend het kledingstuk naar Hercules zendt, die toevallig in een periode van neerslachtigheid verkeert, als cadeautje, slaat hij het kleed om zijn schouders. Helaas staat hij te dicht bij het vuur, het gif start zijn werk en de teloorgang van Hercules is een feit. De pijn is onverdraaglijk, zelfs voor hem, hij gilt het uit, tegelijk mét het toverkleed scheurt hij stukken vlees van zijn ledematen. Zijn bloed borrelt, zijn spieren knappen, merg en botten smelten… enzovoort. Waarlijk een staaltje ‘horror writing’ van onze Ovidius. Van alle vreselijke doodstraffen in dit werk levert dit wel de ergste visioenen op. Het lezerspubliek van destijds zal lekker gegriezeld hebben. Men was wel wat gewend immers, als je toen ziek werd, stond je bij gebrek aan effectieve medicatie een lange en pijnlijke lijdensweg te wachten.

Boek X – De beeldhouwer Pygmalion uit Cyprus ontwikkelt amoureuze gevoelens voor een beeld dat hij heeft gemaakt uit wit ivoor. Langzamerhand krijgen zijn tedere emoties de overhand en beschouwt hij de vrouwenfiguur als een echte ‘bedvriendin’, zoals de vertaalster schrijft. Het feest van Venus breekt aan: Pygmalion offert ruimschoots op haar altaar. Venus op haar beurt laat zich niet onbetuigd. Thuisgekomen vlijt de beeldhouwer zich zoals gebruikelijk naast zijn creatie op de divan en verdorie, die ivoren borsten zijn zacht en kneedbaar geworden. De rest van het lichaam volgt. Sterker nog, rond het ochtendgloren slaat zij haar ogen op en beantwoordt zijn kussen vurig. Negen maanden later: een baby! Paphos heet hij.

We denken in eerste instantie meteen aan G.B. Shaw, die het gelijknamige toneelstuk schreef én de musical die eruit voortvloeide, My Fair Lady. Maar in Kort Amerikaans speelt Jan Wolkers met hetzelfde gegeven: kunstenaar in spe raakt geobsedeerd door de erotische opwekkingskracht van een gipsen vrouwenfiguur. Natuurlijk loopt die roman heel anders af. Geen happy ends voor Wolkers.

Boek XI – Het meest bekende verhaal over Orpheus – de zanger die zelfs een steen kon laten huilen, bij wijze van spreken – is zijn vergeefse tocht naar de onderwereld om zijn geliefde Eurydice terug naar het land der levenden te vervoeren. Dat mislukt op dramatische wijze: Orpheus kan het niet meer houden en kijkt te vroeg om. Kans verkeken.

Maar hoe vergaat het deze man verder? Ik wist het niet. Ook daarover verhaalt Ovidius, het hele gebeuren wordt in Boek X in ruime mate beschreven, inclusief zijn noodlottige blunder na zijn terugkeer uit de Hades en wat hij vervolgens doet (treuren, verhalen vertellen/zingen). Hoe komt hij aan zijn weinig benijdenswaardige einde? Dat vinden we in Boek XI, en heeft alles te maken met zijn, laten we zeggen, depressie en onverschilligheid jegens vrouwen… ja zelfs de knapenliefde lijkt hij inmiddels te prefereren. Dat laatste blijft niet onopgemerkt: een groep Bacchanten, dolgedraaide vrouwelijke aanbidsters van Dionysus/Bacchus, bespringt hem en verscheurt hem op afschuwelijke wijze. Orpheus is aanwijsbaar dood want het hoofd is van de romp gescheiden, zo meldt Ovidius fijntjes.

Juist dat hoofd (en ook de lier) beleven nog meer avonturen: zij worden meegevoerd door een rivier, de lier speelt uit zichzelf en uit Orpheus’ mond is slechts een fluisterzachte klaagzang te vernemen. De dode zanger, nu weer uit één stuk kennelijk, vindt na enig zoeken zijn geliefde Eurydice terug in de onderwereld. Eindelijk herenigd.

Overigens zijn de Bacchanten dan allang veranderd in bomen, voor straf.

Boek XII – In dit boek (en elders) snippers van de Trojaanse oorlog, met voor- en nageschiedenis. Maar een fabelachtige passage vind ik de korte uitleg (vers 29-63) over de verblijfplaats van Fama, de vrouw die voor veel tijdverdrijf zorgt. We zouden het nu ‘juice’ noemen. Vrouwe Fama zorgt voor meer dan alleen ‘roddel en achterklap’, haar product is ook nieuws, roem, gerucht. De beschrijving van deze personificatie is fascinerend. Fama bewoont een kasteel, dat met duizenden ramen en deuren nooit afgesloten is. Het is er nimmer stil, je hoort er continu geruis, als van verre branding. Binnen in het kasteel is het een komen en gaan van onduidelijke personages, een niet aflatende stroom van praatjes, waar en onwaar. En dan deze drie regels over dat ‘schimmige volk’, zo mooi en actueel dat ik ze rechtstreeks weergeef:

“Een deel van hen vult holle oren met gefluisterd nieuws,

dat dan weer snel wordt doorgegeven met een groeiend aantal

verzinsels; elke nieuwe bron breidt de geruchten uit.”

Boek XIII – Na de dood van Achilles tijdens de Trojaanse oorlog bakkeleien Ajax en Odysseus over de wapenrusting van de held. Wie mag haar opeisen? Beiden steken een toespraak af waarin zij het eigenaarschap bepleiten. Odysseus, vermetel – en lang van stof – als hij is, wint. Ajax is ontroostbaar en stort zich in zijn zwaard. Opmerkelijk is dat de schrijver weinig positief is over Odysseus: lafbek, praatjesmaker, veel machinaties, weinig vechtlust.

Troje is gevallen. Astyanax, het zoontje van Hector, een kind nog maar, wordt van de wallen naar beneden gegooid. Koningin Hecuba verdwijnt net als andere Trojaanse vrouwen in gevangenschap, als buit meegenomen door de Grieken. Ze is haar kinderen al kwijt: zoon Polydorus vindt de dood door de hand van de Thraciër Polymestor aan wie hij ter bescherming was meegegeven en dochter Polyxena wordt nota bene opgeëist door de schim van Achilles. Zij wordt geofferd.

Hecuba neemt gruwelijk wraak: terwijl Polymestor zijn onschuld bepleit beweegt zij zich in zijn nabijheid en rukt in één vloeiende beweging zijn ogen uit zijn kassen. De aanwezige Thraciërs stenigen vervolgens Hecuba, die alleen nog gegrom en gejank kan voortbrengen. Die plek bestaat nog, bezweert Ovidius, waar de koningin rouwend om haar lot en dat van Troje nog lang haar hondengehuil heeft geuit.

Boek XIV – Ovidius maakt natuurlijk veel werk van de reis van Aeneas naar ‘Italië’ en de uiteindelijke stichting van Rome. Er is in dit boek plek voor een ultrakorte anekdote, veertien regels maar, die zich afspeelt in de (door mij zo geliefde) streek Puglia, de ‘hak van de laars’. Daar woonde een herder, die vrolijk dansende nimfen de stuipen op het lijf joeg, hen achtervolgde en spottend imiteerde, compleet met danspasjes,ook nog eens aangevuld met schuine praat en scabreuze teksten. Daar hield hij pas mee op toen de (goddelijke) natuur ingreep: zijn keel werd omsloten door een oleaster, een boom uit de olijvenfamilie. Ook de rest van de herder werd boom. Het ooft van de oleaster smaakt zo wrang en bitter, weet Ovidius, omdat de vruchten de schandelijke en onbetamelijke boerenwoorden in zich herbergen.

De oleaster is een wilde olijf, en geen gecultiveerde olijf, zoals wij die kennen. Maar het was juist die wilde olijf waarvan de takken de lauwerkrans vormden die indertijd aan winnaars tijdens de Olympische Spelen werd overhandigd. Overbodig te zeggen: ook dát wist ik niet.

Boek XV – Bijzondere aandacht voor Pythagoras in zijn onderonsje met de mythische koning Numa van Rome in dit boek. Zij kunnen elkaar niet ontmoet hebben want er zitten eeuwen verschil tussen de twee, maar om propagandistische redenen stopt Ovidius ze bij elkaar. Verrassend voor mij dat Pythagoras kennelijk een overtuigd vegetariër was, althans zo denkt de dichter er over: in een lang betoog immers wijst de filosoof het doden van dieren om als voedsel te dienen categorisch af.

“De gulle aarde schenkt u rijke oogsten, eetbaar voedsel,

tafels vol spijzen waar geen moord en bloed voor nodig zijn!”

Het ging Ovidius ook om reïncarnatie, gelet op de woorden van Pythagoras. Je moet er toch niet aan denken dat je later terugkeert naar aarde in de vorm van een dier en dan opgegeten wordt!

Grappig is dat Pythagoras vertelt over dieren die in andere dieren hun oorsprong vinden. Leg maar eens een karkas van een dier neer; je zult zien dat er na verloop van tijd beestjes ontstaan. In de recente speelfilm Bugonia wordt aan dit gegeven – bijen ontstaan uit een stierenkarkas – veel aandacht besteed. Fascinerend.

Over de uitgave: voorbeeldige tekstbezorging, handige voetnoten en een enorme catalogus aan eigennamen, mét aangegeven klemtoon. Ik ontdekte dat ik van het lange gedicht van S. Vestdijk Mnemosyne in de bergen de naam van de moeder der muzen altijd onjuist heb gebruikt: het is Mnemósyne en niet Mnemosýne. Men is nooit uitgeleerd, zullen we maar besluiten.

Met dank aan Marietje d’Hane-Scheltema heb ik dan toch eindelijk Ovidius ‘gelezen’. Van mij krijgt ze een 10.

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk

Doe mee aan het Klimaatexamen in Rotterdam!

Er is een unieke kans om de sfeer te herbeleven van een examen op het Erasmiaans! Tijdens de eindexamenperiode wordt er op dinsdag 12 mei het landelijke klimaatexamen afgenomen.

Met het klimaatexamen test en vergroot je je kennis over klimaatverandering en de oplossingen die bijdragen aan een duurzame toekomst. Het examen biedt waardevolle inzichten en ook praktische ideeën en inspiratie om zelf een belangrijke rol te spelen in dit belangrijke vraagstuk die vooral ook de volgende generaties aangaat. Bij inschrijving kan je kiezen uit de reguliere variant en de expert variant. Desgewenst kan je je voorbereiden via de site van www.klimaatexamen.nl onder het kopje ‘lesstof’. 

Deelname aan het examen is gratis. Het programma is als volgt:

  • 19.00 inloop met koffie en thee
  • 19.15 afnemen absentielijst en korte uitleg over het examen
  • 19.30 start examen
  • 20.30 einde examen en informeel napraten
  • 21.00 afsluiting

Bij het klimaatexamen wordt uiteraard gesurveilleerd door docenten van de school. Neem een pen mee en ook een rekenmachine is handig om bij de hand te hebben met af en toe een rekenvraag tussendoor. Je kan je voor het klimaatexamen aanmelden via de aanmeldknop op https://klimaatexamen.nl/rotterdam-erasmiaans-gymnasium

De uitslagen worden niet openbaar gemaakt dus schroom niet om jezelf (en familieleden, vrienden) in te schrijven om gedurende één uur op een leuke en leerzame manier (nogmaals) examen te doen op het Erasmiaans!

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Bijspijkeren met… Karin den Heijer

Indruk maken? In deze aflevering laat wiskunde-docent Karin den Heijer zien hoe je de stelling van Pythagoras bewijst. Met #Bijspijkeren houdt Semper Floreat oud-leerlingen bij de les!

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Valentijn-bite: Jenneke en Niek

Het leven kan raar lopen. We hebben op het Erasmiaans vanaf de 1ste t/m de 4de bij elkaar in de klas gezeten. Jenneke vond Niek maar met papieren vliegtuigjes spelen, en Niek vond Jenneke een eindeloze kletsmajoor en begreep niet wat andere jongens in haar zagen. In de 5de werden we gesplitst in een alfa- en een bèta-klas. In de pauzes volleybalden we allebei graag in de gymzaal boven, zo kwam je elkaar weer eens tegen. Bij de biologie excursie naar Noorwegen nog steeds geen wederzijdse interesse, maar bij de Rome reis is de vlam aangegaan: Jenneke vond Niek mooi tekenen en Niek hield opdringerige Italianen met een iets te stevige handdruk op afstand. De liefde werd nog door wat ongelukkig onbegrip verstoord maar is na 2 jaar alsnog bevestigd. Jenneke deed conservatorium piano/hobo in Den Haag en kunstgeschiedenis in Leiden, Niek Technische Natuurkunde in Delft, en zo is het ook altijd gebleven. Een modern dating algoritme had er nooit een match in gezien en Jenneke’s vader wilde niet geloven dat het goed zou komen met onze twee zo verschillende milieu’s. Maar na 46 jaar huwelijk met 3 kinderen en 8 kleinkinderen zijn we nog steeds gelukkig met elkaar. Genieten van muziek, kunst, natuur en elkaar? Of elkaar aanvullen en vrij laten? Of hebben we er niks over te zeggen en gaat het om toeval, hormonen en okselgeur? Zo heeft het Erasmiaans ons toch nog onverwacht veel gebracht. En hebben we er bij de eerste vriend(innet)jes van onze kinderen ook altijd rekening mee gehouden dat het een blijvertje kon zijn.

Jenneke en Niek

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Flitsen tussen buien door

De seizoensfoto viel bijna letterlijk in het water. Gelukkig hielp Reinier Hoffman, hobbyfotograaf en kersvers Rotterdammer, ons uit de brand. De overgang van winter naar lente is door Reinier op dramatische wijze vastgelegd op de gevoelige plaat. De fotograaf zegt hier zelf over: “De lentezon breekt door in een koud en nat Rotterdam.” Eerdere seizoensfoto’s staan hier.

Nawinter in Rotterdam, Reinier Hoffman
foto: Reinier Hoffman

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

De eerste 100 dagen van nieuwe rector Chris van den Berg

Chris van den Berg
Chris van den Berg

De inrichting van de rectorskamer is niet veranderd, maar de rector wel. Chris van den Berg verwelkomt mij met een stevige handdruk. Wij praten over zijn eerste 100 dagen op het Erasmiaans. Wie is hij? Chris heeft Germanistik gestudeerd in Leiden en aan de Freie Universität van Berlijn. Al tijdens zijn studie vroeg zijn oude middelbare school op Zuid, de Christelijke Scholengemeenschap Calvijn, of hij daar les wilde komen geven. Dat beviel zo goed, dat hij er is blijven werken. En toen Rotterdam-Zuid zijn eigen gymnasium kreeg, was Chris één van de kwartiermakers van het Zuider Gymnasium.

Daar had hij als conrector waarschijnlijk nog gezeten, als zijn vader hem niet had geadviseerd ook nog eens ergens anders te gaan kijken. En zo geschiedde. Chris trok de stoute schoenen aan en schreef zijn motivatiebrief voor het Erasmiaans. Hij werd uitgenodigd en onderdeel van de sollicitatie was een gesprek met 11 vertegenwoordigers van de Erasmiaanse gemeenschap variërend van leerlingen, medewerkers en ouders tot de medezeggenschapsraad.

“Dat was een heel motiverend gesprek. Het klikte meteen. Mij werd onder meer de casus voorgelegd hoe ik aankeek tegen de grote uitstroom in de eerste en tweede klas. Ligt de lat niet te hoog? Kunnen we er nog meer energie in stoppen en waarin dan precies? Daar had en heb ik wel een mening over. Het is voor veel 12- en 13-jarigen een grote overgang van de basisschool naar de middelbare en zeker naar het gymnasium met zijn Latijn en Grieks. Dat gaat niet iedere leerling, hoe talentvol ook, even gemakkelijk af. Sommige leerlingen hebben wat meer tijd nodig of moeten eraan wennen dat ze voor het eerst iets moeten. Op initiatief van het team wordt de niveautoets die bij een onvoldoende voor de Klassieke Talen opgelegd kan worden, vanaf dit schooljaar anders ingezet. Leerlingen gaan bij een onvoldoende hiervoor verplicht deelnemen aan steunles. Vaak zie je dat de resultaten vanaf de 3e klas heel goed zijn. We moeten de leerlingen actief ondersteunen in het proces daarnaartoe. Ik vind het mooi om te zien hoe zorgvuldig het team over deze begeleiding nadenkt.

Ja, er zijn verschillen tussen het Zuider Gymnasium en het Erasmiaans. Met name het verschil in leeftijd. Een school die 700 jaar bestaat kan terugvallen op haar geschiedenis en routines. Het Erasmiaans is een geoliede professionele organisatie. Op Zuid moesten we veel pionieren en experimenteren. Ook goed, maar anders. Dat verleden brengt wel met zich mee, dat je voortdurend moet blijven nadenken hoe dat op zichzelf bijzonder waardevolle verleden zich verhoudt tot de eisen en verwachtingen van de huidige tijd.

We waren natuurlijk collega-scholen en ik had wel een bepaald beeld van het Erasmiaans. Je ontkomt er als relatieve buitenstaander niet aan dat je denkt dat de cultuur van Kralingen en Hillegersberg hier de boventoon voert. Het Erasmiaans als elitaire school. Laat dat nou helemaal niet kloppen. De school is juist ontzettend divers en inclusief. Dat geldt zowel voor de leerlingen als de medewerkers. Het is veel meer een geheel dan ik dacht. De school bruist van de activiteiten, waar leerlingen en medewerkers enthousiast aan meedoen. Ik probeer dat via sociale media ook naar buiten te brengen. Daar was de school veel te bescheiden in. Vonden ze heel gewoon en dat is het echt niet. We moeten ons verhaal vaak tegen elkaar vertellen en ook met veel enthousiasme met anderen delen. Die hebben daar recht op. En dat is ook in ons belang.

Met hiërarchie heb ik niets. Ik ben van de inhoud en ga graag met iedereen over van alles in gesprek. Daar leer je van. Dat doe ik zowel met nieuwe docenten met hun enorm nuttige blik van buiten als met het zeer stabiele personeel dat al jaren op de school werkt en als geen ander weet wat belangrijk is. Ik denk dat ruimte voor die brede betrokkenheid ons een fijne werkgever maakt en dat is sowieso, maar zeker in ons tijdsgewricht heel belangrijk. De komende 10 jaar gaan veel docenten namelijk met pensioen. Dat geldt niet alleen voor ons, maar voor alle middelbare scholen. Jonge docenten hebben het dan voor het kiezen. Dat wordt een blijvende zoektocht naar onderwijzend talent.

Ik heb veel vertrouwen in de toekomst van het (zelfstandige) gymnasium. Het is een onderwijsvorm, die ik enorm waardeer om zijn emancipatorische karakter en het biedt alle leerlingen de kans een stapje verder te zetten. Zowel Erasmianen uit de 6e generatie als kinderen uit gezinnen waar het gymnasium geen traditie is. Ik kom zelf ook uit zo’n gezin en het gymnasium heeft mij enorm verrijkt. Daar vind je de legitimatie.

In 2028 kijken we terug op 700 jaar Erasmiaans. We gaan er iets moois van maken waarbij we niet alleen terug, maar ook vooruitkijken. Er komt een jubileumraad waar onder anderen oud-leerlingen voor worden gevraagd. Eén van onze activiteiten wordt het digitaal ontsluiten van de Erasmiaanse geschiedenis: hopelijk ontstaat zo een digitaal Erasmiaans museum. En we gaan de mediatheek omvormen tot bibliotheek. Dat staat al op korte termijn te gebeuren. Boeken lezen is goed! In een gerenoveerd gebouw, want we gaan verbouwen. De aanleiding is, dat ons binnenklimaat moet worden verbeterd. De ventilatie is niet goed. En dat combineren we met groot onderhoud dat we naar voren halen. We mogen in de monumentale vleugel terug naar het oorspronkelijke ontwerp van het gebouw. Dat wordt prachtig met de kozijnen van toen, het glaswerk van toen en vloeren passend bij het ontwerp van toen. Hoe mooi is het om je gasten zo op je 700-jarig verjaardagsfeestje te mogen ontvangen!”

We hebben al te lang gesproken en Chris haast zich naar het volgende overleg. Wat een gedrevenheid en wat een ambities. Het Erasmiaans is beloond met een waardige opvolger van Bouwien!

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Van Erasmiaanse Namen tot Het Vergeten Lyceum

Project Erasmiaanse Namen inspireert tot nieuw Holocaust-educatieproject

In de Leopoldzaal van het Erasmiaans Gymnasium vond op 20 januari 2026 de lancering plaats van Het Vergeten Lyceum. Dit educatieve Holocaust-project vertelt het vrijwel onbekende verhaal van het Joods Lyceum Rotterdam, een oorlogsschool die slechts anderhalf jaar bestond (1941–1943). Op het Joods Lyceum zaten ten minste 24 leerlingen van het Erasmiaans Gymnasium.

Tijdens de zomervakantie van 1941 ontving Pattist, de toenmalige rector van het Erasmiaans Gymnasium, een brief van de gemeente Rotterdam. In de brief stond dat hij een lijst moest maken van alle leerlingen zijn school, ten behoeve van “scheiding van Joodsche en niet-Joodsche kinderen.” De Joodse leerlingen mochten na de zomer van 1941 niet meer terugkeren op het Erasmiaans. Op een blaadje noteerde rector Pattist hun namen.

Voor de Joodse gymnasium- en hbs-leerlingen richtte de gemeente Rotterdam het Joods Lyceum op. Officieel heette de school het Gemeentelijk Lyceum voor Joodsche leerlingen. De nieuwe school werd gevestigd in Kralingen, in een oud schoolgebouw waarvan de bovenste verdieping zwaar beschadigd was geraakt door het bombardement van 14 mei 1940. Erasmiaan Arthur Trijbits, een van de leerlingen die het Erasmiaans had moeten verlaten, omschreef het gebouw als een “mistroostige school (…) in een platgebombardeerde wijk.”

Schoolhistoricus Niek van der Blom, docent klassieke talen op het Erasmiaans van 1951 tot in 1981, schreef in zijn Grepen uit de geschiedenis van het Erasmiaans Gymnasium (1978) al kort iets over het Joods Lyceum. “Misschien is het weinige dat ik hier doorgeef aanleiding tot het vinden van meer,” schreef hij. Dat ‘meer’ werd gevonden dankzij het project Erasmiaanse Namen, in 2020 geïnitieerd door oud-leerling Anne Schram Ouweneel.

Erasmiaanse Namen is een meerjarig educatief project waarbij zesdeklassers van het Erasmiaans hun profielwerkstuk kunnen schrijven over een oorlogsslachtoffer van hun eigen school. De resultaten van hun onderzoek worden elk jaar rondom de Dodenherdenking op school tentoongesteld, samen met portretten van de Erasmianen die niet terugkeerden en een kunstwerk van Bart Domburg met hun namen.

Tijdens de allereerste lichting van Erasmiaanse Namen, in 2020, stimuleerde Anne een van de leerlingen, Ties Hoogeveen, om onderzoek te doen naar het Joods Lyceum. Toen Ties’ profielwerkstuk af was, ging Anne door waar hij was gestopt. Dat leidde tot het project Het Vergeten Lyceum, bedoeld voor leerlingen uit Rotterdam en omstreken.

Op de website van Het Vergeten Lyceum staat het geïllustreerde verhaal van het Joods Lyceum en zijn leerlingen. De webteksten zijn geschreven op taalniveau B2, zodat leerlingen van alle niveaus en klassen het kunnen begrijpen. Ingewikkelde woorden worden uitgelegd via een inventief uitklaptekstje. Tijdlijnen zorgen ervoor dat de verhalen zowel lineair als non-lineair kunnen worden gelezen. Deze levensverhalen van Joodse leeftijdsgenoten bieden leerlingen van nu een ingang tot historische kennis over de Holocaust. Niets brengt de oorlog zo dichtbij als de eigen stad en de eigen leeftijdsgroep.

De lancering vond plaats in aanwezigheid van nabestaanden van oud-leerlingen van het Joods Lyceum, WO2-onderzoekers, vrijwilligers en andere betrokkenen. Dagvoorzitter Trix van Bennekom, auteur van het boek Halte Hausdorff over de Joods-Rotterdamse huisarts en Erasmiaan David Hausdorff, leidde het programma in en gaf toelichtingen. Chris van den Berg, rector van het Erasmiaans Gymnasium, sprak een welkomstwoord uit. Theo Kemperman, voorzitter van Stichting Loods 24, hield een indrukwekkende lezing over Loods 24 en Holocausteducatie. Daarna werden voor het eerst in de geschiedenis de namen voorgelezen van de nu bekende leerlingen van het Joods Lyceum. Bariton Ken Gould sloot de middag af met een aangrijpende vertolking van Eli, Eli.

In mei 1943 sloot het Joods Lyceum omdat er geen leerlingen meer over waren. Alle 150 leerlingen waren gedeporteerd of ondergedoken. Een enkeling had kunnen vluchten. Van de 25 leerlingen op het lijstje van Pattist overleefden slechts 11 leerlingen de Holocaust.

De website van Het Vergeten Lyceum wordt de komende jaren aangevuld met nieuwe verhalen, lesmateriaal en interactieve functies.

Erasmiaanse Namen en Het Vergeten Lyceum zijn projecten van Stichting Sanderling. Drijvende kracht achter deze projecten is oud-leerling Anne Schram Ouweneel (eindexamenjaar 1990). Anne wordt bijgestaan door vrijwilligers, onder wie Erasmiaan Loes Wijnbergen, dochter van de Erasmiaanse Engelandvaarder Lou Wijnbergen.

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Bijspijkeren met… Chris van den Berg

Eine kurze Lektion van docent Duits en onze nieuwe rector, Chris van den Berg! In deze aflevering: das Schulgebäude als Erinnerungsort. Met #Bijspijkeren houdt Semper Floreat oud-leerlingen bij de les!

Meer weten over onze nieuwe rector? Klik dan hier.

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Erasmianen op Romereis

Deze herfst was het weer zover: 143 leerlingen en 15 docenten togen per bus naar Rome. Op de herfstfoto van dit jaar: Erasmianen wachten op de bus, tegen een decor van Rotterdamse gebouwen en herfstbladeren. Meer foto’s van de Romereis vind je hier. Eerdere seizoensfoto’s zijn hier te bewonderen.

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Pieter en Erasmus Gerardszoon

“Erasmus van Rotterdam aan heer Pieter, zijn broer, gegroet … Als je wilt horen hoe het met mij gaat, wel, ik houd zielsveel van je, zoals je ook verdient. Je naam ligt altijd op mijn lippen, ik draag je in mijn hart, ik denk voortdurend aan jou, ik droom van jou, ik praat dikwijls over je met mijn vrienden en met niemand vaker, vertrouwelijker en met meer genoegen dan met onze stadgenoot Servaas …” zo klonk het in 1487 in een brief.[i] Veertig jaar later, in november 1527, schreef dezelfde Erasmus van Rotterdam echter: “Bij de dood van mijn broer bleef ik volkomen rustig”.[ii] Wat ging er mis tussen deze twee broers en wat weten wij van hun afkomst?

Persoonlijk voel ik ook vanwege zijn voornaam wel sympathie voor Pieter, maar dat wij hem tegenwoordig nog kennen, heeft hij volledig te danken aan zijn jongere broer Erasmus. Heel weinigen immers hebben ooit van deze Pieter gehoord, zijn broer Erasmus daarentegen is nog steeds bekend, en terecht. Over hem schreef zijn vriend John Colet al in 1516: “De naam Erasmus zal nooit verloren gaan, maar je zult je naam onsterfelijke roem verlenen en zwoegend in Jezus zul je voor jezelf het eeuwige leven verwerven”.[iii] Over diens leven – tot Erasmus in Bazel op 12 juli 1536 overlijdt -, werken en ideeën zijn inmiddels boekenkasten vol geschreven. Hij inspireert nog steeds velen. Enkele jaren geleden verscheen weer een nieuwe lijvige biografie van Sandra Langereis[iv], die ook uitgebreid ingaat op Erasmus’ familie en zijn jonge jaren. In 2021 kwam er ook een Nederlandse vertaling[v] van Stefan Zweigs enthousiaste Erasmusbiografie uit 1934, waarin zijn blijvende betekenis nog eens werd benadrukt.

De speurtocht naar dit stukje familiegeschiedenis van twee vijftiende eeuwse broers is genealogisch interessant want Erasmus is zelf de belangrijkste bron. Helaas betoont hij zich niet steeds een eerlijke bron. Het doel van zijn levensbeschrijvingen is namelijk vooral om zijn eigen positie als onafhankelijk denker gedurende en na zijn leven versterken. Hij schrijft zijn eigen familiegeschiedenis vooral in zijn brieven. Soms is hij daarin persoonlijk, zoals in de hierboven aangehaalde teksten, soms ook juist heel afstandelijk. Sommige van zijn berichten blijken verzonnen, andere lijken waar te zijn.

De ruzie met broer Pieter

In 1516 schrijft Erasmus een lange brief[vi], die moet worden voorgelezen aan paus Leo X. In die brief legt hij in een vertelling over twee broers – in feite Pieter en Erasmus zelf – uit hoe hij tegen zijn zin priester werd. De paus zou erg begaan zijn met dit verhaal en daarmee bereikte Erasmus zijn doel, namelijk dat de paus hem uit zijn onvrijwillig aanvaarde priesterschap ontsloeg.

In die brief vertelt hij dat de broers als tieners hun ouders aan de pest hadden verloren. Hun voogden, die hun erfenis slecht hadden beheerd, wilden de jongens in een klooster  onderbrengen. De broers hadden afgesproken zich gezamenlijk tegen het priesterschap te verzetten. Toen werden hun de aantrekkelijkheden van het kloosterleven voorgespiegeld. “Hierdoor betoverd begon de oudste [Pieter] te weifelen en vergat wat hij herhaaldelijk gezworen had. De jongste [Erasmus] bleef desondanks bij zijn besluit. Om kort te gaan, de trouweloze [Pieter] liet zijn broer [Erasmus] in de kou staan, aanvaardde het juk en stak wat er nog over was stiekem in eigen zak. En het was niet de eerste keer dat hij zo te werk ging. En de zaak liep mooi voor hem af. Hij was immers even traag van geest als sterk van lichaam, altijd uit op gewin, doortrapt en slim, verzot op geld, een stevige drinker en ijverige hoerenloper. Kortom, hij verschilde zoveel van zijn jongere broer dat het een ondergeschoven kind leek. Voor zijn eigen broer was hij altijd een kwade geest.”

Het lijkt hier dus alsof de broers al in onmin met elkaar leefden op het moment dat zij in het klooster intraden. Maar bedenk dan dat de eerst geciteerde brief, waarin Erasmus zijn onvoorwaardelijke broederliefde etaleert, geschreven is nadat zij beiden in een klooster waren ingetreden. Dus ofwel Erasmus heeft de scène die aan zijn intreden vooraf zou zijn gegaan later bedacht, of hij heeft het verhaal naderhand zwaar aangezet.

Over zijn ouders

Later – in 1524 – schrijft Erasmus, weer als onderdeel van een brief[vii], zijn zogenaamde Compendium vitae, een “Verslag van heel mijn leven, echt een Ilias vol rampen: want er is nooit een schepsel geboren dat ongelukkiger was dan ik”, met de opdracht dit verhaal met niemand te delen. Deze tekst is dan ook pas lang na zijn dood bekend geworden. In dit verhaal is geen plaats meer voor zijn broer Pieter.

Stamboom van Pieter en Erasmus

“Hij is in Rotterdam geboren” schrijft Erasmus over zichzelf, “in de nacht van 28 oktober. Zijn moeder Margareta kwam uit Zevenbergen. Met haar had zijn vader Gerard, de zoon van Elias en Catherina, een verborgen verhouding; het stel wilde trouwen. Zijn ouders en broers vonden echter dat hij priester moest worden. Dus ging Gerard in arremoede op reis met het plan nooit meer terug te komen. Zijn achtergebleven bruid was zwanger. Hij kwam in Rome, waar hij werkte als kopiist. Daar kreeg hij het valse bericht van zijn ouders dat zijn aanstaande overleden zou zijn. Daarop werd hij priester en wilde zich geheel aan de godsdienst wijden. Toen hij terugkwam, ontdekte hij het bedrog, maar hij raakte Margareta nooit meer aan. Wel zorgde hij dat zijn zoon beschaafd opgevoed werd …”.

Dit aandoenlijke[viii] verhaal over een dood gewaande geliefde, die bij thuiskomst springlevend blijkt met de kleine Erasmus op schoot, kan niet waar zijn, al was het maar omdat Erasmus de tweede zoon was van zijn ouders. Erasmus schreef het zo op omdat zijn vader op enig moment priester werd en hij op die manier hoopte te voorkomen dat zijn geestelijke nalatenschap zou lijden onder de betichting van een zondige geboorte: hij suggereert dat hij verwekt werd toen zijn vader nog geen gelofte had afgelegd.

Ook dit verhaal van Erasmus is dus tenminste gedeeltelijk verzonnen, maar gelukkig zijn recent documenten met betrekking tot Gerard, de zoon van Elias – dus de vader van Pieter en Erasmus – aan het licht gekomen, die het mogelijk maken een aannemelijke schifting aan te brengen tussen feiten en fictie in Erasmus’ Compendium vitae. Eind vorige eeuw bleek namelijk uit oorspronkelijke bronnen dat Gerard Eliaszoon van Rotterdam, in 1457 en 1458 als kopiist in Italië werkte.[ix] En enkele jaren geleden doken documenten op, die laten zien dat deze Gerard Eliaszoon van 1471 tot 1476 vice-pastor in Woerden was vanwaar hij naar Gouda vertrok.[x] Deze laatste bron ontkracht tevens definitief de lang verbreide Goudse claim, dat Erasmus weliswaar in Rotterdam geboren is, maar in Gouda verwekt zou zijn.

Zo lijkt het er dus op dat Gerard van Rotterdam, de zoon van Elias op enig moment priester werd en eind jaren 1450 in Italië was, waarna hij terugkeerde naar zijn geboortestad. Daar woonde hij tot 1571 samen met de Brabantse Margareta[xi] met wie hij een blijkbaar niet zo verborgen verhouding had, waaruit immers twee zonen geboren werden, eerst Pieter en daarna Erasmus. In 1471 verhuisde het viertal naar Woerden en vijf jaar later naar Gouda. Dat priesters geacht worden celibatair te leven, stond daar in de Hollandse cultuur van destijds blijkbaar het jonge geluk van Margareta en Gerard niet in de weg. Helaas werd Erasmus later in zijn carrière toch door zijn tegenstanders wel aangekeken op zijn ‘illegale’ geboorte en dit bracht hem er vermoedelijk toe ware feiten over zijn vaders Italiaanse reis te combineren met het verzinsel dat hij als eerste en enige kind tijdens die afwezigheid van zijn vader geboren zou zijn.

Erasmus vermeldt in zijn Compendium vitae niet zijn geboortejaar, maar zegt wel dat zijn geboorte “vermoedelijk 57 jaar geleden” was. Over het juiste geboortejaar bestaat nog steeds geen eenduidigheid. Het moet gelegen zijn tussen 1466 en 1469. Erasmus suggereert zelf dus 1466, maar voor zijn verhaal dat zijn vader nog geen priester was, toen hij hem verwekte, komt een antidatering hem wel goed uit. Langereis acht 1469 het waarschijnlijkst bijvoorbeeld op grond van het overlijden van Erasmus’ ouders aan de pest toen hij 14 jaar was; vastgesteld is dat er in 1483 een hevige epidemie heerste.[xii] Ook met betrekking tot de precieze plek van zijn geboorte bestaat geen absolute zekerheid, maar men houdt het erop dat zijn geboortehuis gelegen was aan de Nieuwe of Wijde Kerkstraat.[xiii] Dit was vermoedelijk destijds inderdaad nieuwbouw in een nieuwe straat, want ook toen ging het centrum van Rotterdam op de schop: in de jaren 1450 en 1460 werd de vlakbij gelegen Laurenskerk gebouwd en vervolgens meteen flink uitgebreid Dat betekende ook dat de omliggende straten en waterlopen aangepast moesten worden.

Over zijn vader schrijft Erasmus in zijn Compendium vitae: “Gerard zette zich in Rome tot passende studiën. Hij schreef goed Grieks en Latijn. En ook in het recht maakte hij flinke vorderingen. Want in Rome floreerden toen wijze mannen”. En van zijn moeder weet hij te melden dat zij de dochter is van een arts Pieter. Niet over elke medicus is Erasmus even tevreden. Wel schrijft hij: “Nu strekt de medische zorg zich niet alleen over het lichaam uit, het lagere bestanddeel van de mens, maar vooral over de mens in zijn geheel, ook al neemt de arts zijn vertrekpunt bij het lichaam zoals een theoloog dat doet bij de geest”.[xiv] Vader en moeder vullen elkaar dus goed aan. 

De jeugd van de broers

De oudste zoon, Pieter, is blijkbaar vernoemd naar zijn grootvader van moederszijde en de tweede, Erasmus, naar de favoriete heilige van zijn vader: Sint Erasmus, die een engelenhand naar Italië zou hebben gedragen en die na zijn marteldood onder keizer Diocletianus de patroonheilige van de zeelieden werd.

Als zoon van een artsendochter en een theoloog schrijft Erasmus: “Zijn vader zorgde ervoor dat hij beschaafd opgevoed werd en stuurde hem nauwelijks vier jaar oud naar school om letteren te leren. De eerste jaren vorderde hij weinig met de onsympathieke teksten, waarvoor hij niet in wieg was gelegd. In zijn negende jaar stuurde zijn vader hem naar Deventer; zijn moeder ging mee om voor hem te zorgen vanwege zijn prille leeftijd”[xv]. Kennelijk vond hij dat zijn ouders in lijn met hun eigen achtergrond inhoudelijk en zorgzaam het beste met de opvoeding van hun zonen voorhadden. En hij had zich heel jong blijkbaar al een uitgesproken mening gevormd over ‘onsympathieke’ teksten, die misschien wel bijdragen tot de letteren maar niet tot deugd[xvi].

Helaas woedt er tijdens Erasmus’ jaren in Deventer “als hij in zijn veertiende jaar is”, een pestepidemie, waarvan eerst zijn moeder slachtoffer wordt. Alle leerlingen worden uit Deventer naar huis – voor Pieter en Erasmus was dat Gouda – gestuurd vanwege de ziekte. Kort daarna sterft ook hun vader aan die ziekte. De erfenis van de broers wordt – zoals eerder vermeld – beheerd door voogden ook al hebben zij (volgens Erasmus’ Compendium vitae) van moeders zijde twee ooms in Dordrecht en van vaders zijde nog grootouders en negen ooms in leven. De voogden moeten voor hun verdere opleiding zorg dragen en sturen Pieter en Erasmus naar een kostschool in ’s Hertogenbosch. Maar zij willen al snel van hun verantwoordelijkheid af en besluiten de broers dus in augustijner kloosters onderbrengen: Pieter gaat naar het klooster Sion bij Delft en Erasmus kiest voor Stein bij Gouda, vermoedelijk vanwege de grote bibliotheek daar.[xvii]

Vanaf dat moment is er nauwelijks meer contact tussen de broers. Zij kiezen na hun jeugd samen elk een heel andere weg. Pieter lijkt als wees van ongeveer 20 jaar te besluiten voor zichzelf het leukste te halen uit het rauwe leven van die tijd. Zijn jongere broer Erasmus verwijt hem dat. Hij zet zich in om mensen tot goede mensen te maken en kiest ervoor zijn leven te wijden aan het bestrijden van de hypocrisie die hij overal om zich heen ziet. Die verbetenheid maakt hem niet gelukkig, maar wel de bekendste geleerde van Nederland met opvattingen over geloof, politiek, leiderschap en verantwoordelijkheid die in onze eeuw nog steeds actueel zijn.

Dit is een bijdrage van Pieter van der Hoeven, penningmeester Semper Floreat.


[i]      Brief 3.
De briefwisseling van Erasmus werd begin vorige eeuw geordend en in twaalf delen in het Latijn uitgegeven Opus epistolorum Des. Erasmi Roterodami  P.S. Allen, Clarendon Press, Oxford 1906-1959. Begin deze eeuw verschenen deze brieven in een twintig-delige Nederlandse vertaling De correspondentie van Desiderius Erasmus (diverse vertalers). Ad. Donker, Rotterdam 2004-2019.
Tijdens anders vermeld, volg ik hier steeds deze vertalingen.

[ii]     Brief 1900.

[iii]    Brief 423 van 20 juni 1516.

[iv]    S. Langereis Erasmus dwarsdenker De bezige bij: Amsterdam 2021

[v]     S. Zweig Triomf en tragiek van Erasmus van Rotterdam vertaald uit het Duits door B. van Kreel met een nawoord van T. Huttinga. Uitgeverij IJzer: Utrecht 2021

[vi]    Brief 447 van 15 augustus 1516. Erasmus herhaalt dit verhaal later in het voorjaar van 1525 in brief 1581a  die slechts indirect is overgeleverd.

[vii]   Erasmus Compendium vitae (opgenomen in brief 1437 van 2 april 1524); passages door mij geselecteerd en geparafraseerd.

[viii]  De Brit Ch. Reade was zo onder de indruk van dit verhaal dat hij in 1861 een dikke roman schreef The cloister and the heart over Erasmus’ ouders. Terecht wordt dit verhaal als fictie aangemerkt (al was het maar omdat de hoofdpersonen ’s avonds op en neer wandelen tussen Rotterdam, Gouda en Zevenbergen.

[ix]    G. Avarucci, Due codici scritti da ‘Gerardus Helye’ padre di Erasmo, Italia medioevale e umanistica 26, 1983 

[x]     K. Goudriaan, Erasmus en Gouda: een vluchtige relatie, De Schatkamer. Regionaal Historisch Tijdschrift Midden-Holland, 1 december 2017

[xi]    Men suggereert vaak dat Margareta de huishoudster was van Gerard, maar er is geen aanleiding om te veronderstellen dat Pieter en Erasmus geboren werden uit een verhouding die eerder uit een toevallige dienstbetrekking dan uit wederzijdse gevoelens tot stand kwam.

[xii]   S. Langereis op.cit.

[xiii]  R. van der Schans & L.L.E. Schlüter De plek waar eens de wieg van Erasmus stond Stichting Erasmushuis Rotterdam 2007

[xiv]  Erasmus Encomium medicae uit 1519, Lof der geneeskunde Vertaald door I. Bejczy, Ad. Donker, Rotterdam (1998).

[xv]   Erasmus Compendium vitae

[xvi]  Vermoedelijk was Caesar de eerste klassieke schrijver die ook hij las. In januari 1518 schreef Erasmus in brief 760 aan Anton van Bergen: “Van Caesar zul je de ware zuiverheid van de Romeinse taal leren, maar pas op dat je van hem niet de eerzuchtige dwaasheid van de oorlogvoering leert”.

[xvii] Dat ook Pieter naar Deventer en ’s Hertogenbosch gaat, zijn algemeen gedane aannames, immers Erasmus gunt zijn broer geen plek in zijn Compendium vitae. Zo ook de veronderstelling dat Pieter naar het klooster Sion gaat: Erasmus schrijft dat daar voor hem oorspronkelijk een plek was, maar dat hij uiteindelijk – zij het nog steeds tegen zijn zin – het klooster Stein koos.

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.

Pagina 1 van 7

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén