Boekpresentatie van Ernest van der Kwast
Eva Brouwer
Soms ga je naar een boekpresentatie. En soms lijkt het of je een tijdmachine instapt naar een klaslokaal van 1996. Onlangs was ik bij de boekpresentatie van ‘Schooljaren’ van Ernest van der Kwast in de aula van het Erasmiaans Gymnasium. Een toepasselijke locatie, want zijn oude school. En ook die van mij. (En als je dit leest, waarschijnlijk die van jou.)

Ik tweede rij van boven, vierde van links.
Nog vóór de avond begon, voelde het al als een reünie. We aten met een groepje oude schoolvriendinnen bij Melief Bender aan de Binnenweg. De plek waar we vroeger als zestienjarigen uren op één biertje konden teren en zaten te kaarten. Café Melief Bender bleek zijn 150e verjaardag te vieren, dus nog vóór de avond begon, stond alles al in het teken van geschiedenis, herinneringen en terugkeren naar vroeger. Dat belooft wat voor 2028, wanneer het Erasmiaans 700 jaar bestaat.
Want deze avond voelde al als een soort pre-reünie. Overal zag ik mensen uit onze lichting weer opduiken. Mensen die ik soms tientallen jaren niet had gezien en toch onmiddellijk herkende (‘Edo, wat ben je lang geworden!’).
Er was ontroerende muziek van een schoolband met tieners met haar voor hun ogen. Een mini-college biologie van Jankees Ouwerkerk. (De overgang van flats-krak naar krak-flats, als samenvatting van de evolutie.) Comedian Sezgin Güleç die vertelde over de overgang van Rotterdam-Zuid naar het andere uiterste. En verhalen over verliefdheden, toneel, onzekerheden en bravoure. En wat deze avond extra bijzonder maakte: de presentatie lag in handen van twee zesdeklassers. Toen ik hen daar zag staan in die aula, moest ik ineens aan mezelf denken. Want op mijn vijftiende werd ik in precies diezelfde zaal door regisseur Jules Terlingen het podium op gestuurd voor de presentatie van de M&D-avond (muziek- en declamatieavond, die nu Battle of the Bands heet.)
Ik weet nog hoe spannend dat voelde. En nu 30 jaar later voelde ik ook dat precies deze aula letterlijk de plek is, waar voor mij, tegenwoordig spreker, alles begonnen is. Als spreker weet je ook dat er altijd wat onverwachts op het podium kan gebeuren. En ja hoor: Ernest vroeg uit het niets aan oud-minister Liesje Schreinemacher: “Weet je nog dat wij gezoend hebben?” De zaal lag dubbel. “In het fietsenhok?” vroeg hij. “Nee,” antwoordde ze. “In de Oude Haven.” En ineens was iedereen weer zeventien.
Die hele sfeer van die tijd kwam terug. Zeker rondom toneel, dat op het Erasmiaans bijna een parallel universum vormde. Onder leiding van diezelfde Jules Terlingen werden stukken gemaakt en gespeeld, soms zelfs mede geschreven door leerlingen, onder wie Ernest zelf. Ik deed daar ook aan mee. Toneel betekende vrijheid. De volgende dag het eerste uur vrij. ’s Avonds drinken in de Oude Haven. Het gevoel dat de wereld groter was dan school alleen.
En toen gebeurde er tijdens het lezen van het boek iets vreemds. Ik ontdekte namelijk dat ik misschien ook in het boek voorkom. Er zit een personage in dat Eva heet. Nu heeft deze Eva groene ogen en een piercing, dus technisch gezien ben ik het niet en kan ik het onmogelijk zijn. Ik herkende wel andere klasgenoten van toen. Neem de slimme, brave streber. Of de oudere, rebelse James Dean-figuur die bleef zitten en daardoor alleen maar interessanter werd.
En die ‘Eva’-figuur. Dan is het toch confronterend om te lezen hoe jongens van 14 naar meisjes kijken. Wat zagen zij, dat wij zelf misschien helemaal niet doorhadden? Zeker omdat je als tiener zelf denkt dat je gewoon vriendschappelijk met iemand omgaat, terwijl je later beseft dat je in andermans herinnering misschien een totaal andere rol speelde. En er duiken nog meer herinneringen op uit onze tijd. Zoals het overlijden van Mart van Smalen tijdens een kamp van wandelvereniging Koinothrex, toen wij in de tweede klas zaten, rond 1994. Ernest beschrijft daar een fictionele versie van in het boek, maar ik was zelf ook op dat kamp toen het gebeurde: een dodelijke aanrijding. Wat Ernest prachtig vangt, is niet alleen het verdriet, maar ook de verwarring van die leeftijd.

Ik herinner me nog hoe onze ouders ons kwamen ophalen. En hoe je in hun ogen tegelijk twee emoties zag: intens verdriet om wat er gebeurd was, én opluchting dat het niet hun eigen kind was.
Als puber kon ik die cocktail van emoties nauwelijks bevatten. Juist daarom vond ik die passages zo mooi en liefdevol geschreven. Dat is misschien uiteindelijk wat deze avond zo bijzonder maakte. Het ging niet alleen over een nieuw boek. Het ging over hoe herinneringen zich vastzetten in gebouwen, muziek, gangen, grappen en mensen. Over hoe een school niet zomaar een school blijft, maar een decor van vormende jaren dat je altijd met je meedraagt. Dus ja: ik heb genoten van ‘Schooljaren’. En eerlijk gezegd heb ik nu nóg meer zin in die echte reünie in 2028. We hebben nog genoeg te bespreken.
