Vier oud-Erasmianen kwamen niet geheel toevallig bijeen voor een avondje muziektheater. Ze kenden natuurlijk alle vier het magnum opus van hun held, hun voorbeeld, hun gids Desiderius Erasmus Roterodamus. Echter, geen van allen had ‘t ooit gelezen: Lof der Zotheid. Het was meer iets van de klepel en de klok. En iets met gek zijn of gek doen, gekte in het algemeen, waar dat woordje uit het stenen tijdperk naar verwijst: zotheid, wie kent het niet. Maar toch door nieuwsgierigheid gedreven en in de hoop iets in te halen dat ze in hun jonge jaren hadden gemist, maar vooral voor de gezelligheid, togen ze naar het theater: Maaike, Japo, Feijo en ondergetekende.

Lof der Zotheid, als muziektheatervoorstelling van De Veenfabriek. Ooit bedoeld als lof aan de zotheid, omdat de wereld geen wereld zou zijn zonder zotheid, geschreven door de zotheid zelf. Of liever de godin van de zotheid. Ze heeft veel kritiek op de maatschappij. Uit al deze zotheid komt alles voort: politiek, oorlog, vriendschap, liefde, jachtpartijen, het huwelijk en ga zo maar door. Maar de Zotheid vindt ook dat wie haar niet kent, niet leeft. ‘Zotheid is onmisbaar om gelukkig te zijn.’ Verder wordt deze godin bijgestaan door enkele andere godinnen, die van: eigenliefde, vleierij, vergeetachtigheid, werkschuwheid, genotzucht, onverstand, weelderigheid, drinkgelag en slaap. Dat is zo’n beetje de samenvatting van Erasmus’ werk, voor zover ik dat op heb kunnen duikelen met Google. Maar zien we dit ook terug in de voorstelling?
Voor jouw beeld: Het decor was een woonkamer met een driezitsbank, een salontafeltje en een muur van radiootjes, die allemaal piepten, zoemden en knetterden. Maar er kwam geen zinnig woord uit. Misschien wel het sterkste statement van de voorstelling. Op de bank zaten, liepen, kropen, krioelden, aten, dronken en praatten de acteurs gekleed in felgekleurde avondjurken. Het plezier spatte ervan af. Leuk om naar te kijken. Maar wat werd er nou eigenlijk gezegd? Ik kon er geen touw aan vast knopen en liep eigenlijk als een nog groter vraagteken de zaal uit, al had ik me ook prima vermaakt. Of laten vermaken.
Benieuwd naar de mening van mijn mede feestcommissieleden vroeg ik wat ze hadden meegemaakt en of zij er wel iets van opgestoken hadden.
‘Een ‘zotte’ vertoning en wat een waterval aan woorden! En dat doen die acteurs gewoon met twee vingers in de neus!’ was min of meer Maaikes aangename ervaring.
‘Enig verband met het oorspronkelijke werk, zag ik niet. Niet te doen ook. Heb het meesterwerk immers nooit gelezen. Die zotheid zat er zeker in. Maar een sceptische blik op de huidige tijd of ironie kon ik niet herleiden uit het stuk.’ Feijo’s observatie.
En last but not least Japo aan het woord over deze muziektheatrale variant van Lof der Zotheid: ‘Een ‘zot’ stuk, goed gespeeld, maar vooral die creativiteit van de instrumenten, de symbiose met het acteerwerk, heel mooi geïntegreerd. Of Erasmus het ooit zo bedoeld heeft, lijkt me sterk. Maarrrr wellicht komen in dit stuk wel de ZEVEN kunsten voor een groot deel samen: bewegen, acteren, zang, muziek, taal, kostuums, vormgeving…’
Niemand heeft zich hoeven vervelen. Maar het onderlinge weerzien had bij alle vier de meeste indruk gemaakt. Toch brengt vooral Japo’s observatie mij op het idee om met 700 jaar Erasmiaans onze eigen Lof der Zotheid op de planken te brengen, geheel in lijn met het thema, dat ik hier natuurlijk niet ga verklappen! 🙂
Anna Rottier (eindexamenjaar ’89)
