Schoolherinneringen tijdens WO II
De oorlogsdagboekjes van mijn moeder Adri Oosten (1926-1990), later Aad Knuttel-Oosten, lagen vanaf 1990 bij mij ongelezen in een kast, om ‘ooit’ te bekijken; het niet al te makkelijk leesbare handschrift werkte niet bepaald uitnodigend. Pas begin dit jaar waagde ik, jongste dochter van Aad, een poging en heb vervolgens het geheel getranscribeerd tot tachtig pagina’s A4, een schokkende maar ook een bijzondere en ontroerende ervaring. Wat had mijn moeder weinig over de oorlog aan ons als kinderen verteld, ongetwijfeld een herkenbaar beeld voor velen van onze naoorlogse generatie. Dit artikel met dagboekfragmenten geeft een indruk van de betekenis van het Erasmiaans voor mijn moeder in oorlogstijd.
Gym-manieren!
Adri is 14 jaar als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Wonend in Rotterdam gaat ze na de lagere school naar het Rotterdamsch Meisjeslyceum Bond aan de Witte de Withstraat, waar ze op de gymnasiumafdeling terechtkomt. Haar heimelijke verliefdheid op David Mees, in de dagboekjes aangeduid met ‘D.’, vormt voor haar de aanleiding om in december 1940 een dagboek te beginnen. Adri vertrouwt haar gevoelens en verlangens toe aan de kleinst mogelijke blocnotes, waarin ze niet alleen schrijft over verliefdheid en onzekerheid, maar ook over haar schoolbelevenissen. Haar zoektocht naar hoe je je staande houdt in de barre oorlogsomstandigheden leidt tot eindeloze herhalingen om zichzelf moed in te praten.
Als in 1942 het voor haar vertrouwde Meisjeslyceum aan de Witte de With wordt opgeheven, verhuist de gymnasiumafdeling van die school naar het Erasmiaans.
Het schoolgebouw aan de Wytemaweg is dan inmiddels gevorderd door de Duitse Marine, waardoor leerlingen op verschillende locaties in de stad les krijgen: de locatie West, een villa aan de Mathenesserlaan 435, op de hoek van de Gerrit Jan Mulderstraat en locatie Oost, een schoolgebouw aan de Vredehofweg 30. De rector van het Erasmiaans is inmiddels onder toezicht gesteld van de NSB.
Adri gaat na de zomervakantie naar de 5de klas. 2 september 1942: ‘De school is begonnen. Ik ben gymnasiaste geworden! In een herenhuis op de Math. laan. Els [Hoesen] zit in Kralingen. Dat spijt me vreselijk maar was te voorzien. Onze vriendschap was nu juist tot zoiets goeds en fijns gegroeid. Maar ja, zo zijn er meer dingen, die tegenwoordig neergehaald worden. Dit hoeft natuurlijk niet, maar we zullen elkaar nu niet zo dikwijls meer zien. Mijn nieuwe klas lijkt aardig. De ontvangst der docenten was minder hartelijk. We moesten meteen beginnen, terwijl we nog van niets wisten. Echt gym-manieren!’
Plutocratenzoontjes
Al valt het wennen zwaar, de oorlogsomstandigheden overschaduwen alles en worden steeds indringender. Op dinsdag 9 februari 1943 beschrijft Adri hoe de schooljongens van 17 jaar en ouder worden weggehaald.
10 februari 1943: ‘O, hoe kan het zijn? Het is een strafmaatregel voor Seyffardt. In Vught zijn ze bijeengebracht. […]. Ik wou dat ik iets doen kon voor D. en voor allen. Van dit nietsdoen word je razend. Je zit maar op school of er niets aan de hand is, maar ondertussen. Vreselijk is het. Als ik D. nu maar eens kon schrijven of spreken, maar daartoe is weinig kans. Kop op! En moed gehouden!’
De NSB-er Hendrik Seyffardt werd eerder die week door twee studenten uit een verzetsgroep op klaarlichte dag doodgeschoten. Onder leiding van de Rotterdamse NSB-burgemeester Müller wordt een plan gesmeed om als represaille voor de dood van Seyffardt ‘plutocratenzoontjes’ op te pakken. Er worden lijsten samengesteld en op 9 februari worden 163 jongens uit vooraanstaande families opgepakt, zodat die ‘ook eens leren wat werken is’. Jongens, vaak in hun eindexamenjaar van de HBS, het Lyceum en het Erasmiaans worden van hun bed gelicht.
12 februari ’43: ‘Vandaag zijn alle jongens onder de 18 vrijgekomen. 18 en ouder onzeker. Soms wel soms niet. Omstandigheden ellendig in V.[ught]. Geruchten voor ons bedaard. Tussen hoop en vrees geslingerd over D. Wat moet er gedaan worden. Gisteren met 3 meisjes op school, vandaag met 5. Morgen zullen we misschien weer compleet zijn. Ikzelf ben steeds geweest. […] Ofschoon het oppikken wat geluwd is, is iedereen nog in een angstige stemming. De bal is aan het rollen, wat zal er nog gebeuren!’
Veel lessen vallen uit. 29 maart ’43: ‘Mijn rapport valt misschien nog wel een beetje mee. Vanmorgen Tacitus vertaling van de rector. Hij was o wonder, ontzettend aardig en voor ik begon klopte hij bij wijze van zegen me vriendelijk op mijn schouder. Ik hoop dat het geholpen heeft. Dolgraag zou ik nu eindelijk eens in de klas willen. Met Roggetje [Roggeveen] wordt het ontzettend vervelend.’
Uitdijend heelal en spiraalnevels
Tussen alle kleine, alledaagse schoolperikelen is de oorlog alom aanwezig; het wegvoeren van de Joden, razzia’s en verdwaalde geallieerde bombardementen, die voor de havens zijn bedoeld, maar veelal in woonwijken terechtkomen.
22 april ’43: ‘Vandaag zijn alle Isr. naar Vught gegaan. Vanmiddag ben ik aan den trein geweest. Het was vreselijk. Je mocht er niet bij en kon alleen maar zwaaien vanaf het andere perron. Een flinke man die steeds huilde, een jongen die roerend afscheid nam van zijn meisje. O, dit alles vergeet je nooit. Tenslotte zag ik de Levies die erg verrast waren me te zien. Verder nog de Staals. Op het uiterste puntje van het perron hebben we nog staan zwaaien naar mensen die zich vrijwillig in gevangenschap begaven. O, zoals de trein voorbij trok met al die wanhopige mensen. Dit is om nooit te vergeten of te vergeven. Moge God met hen allen zijn.’
6 Mei ’43: ‘[…] Op school is het vervelend. Iedereen is met zijn gedachten ergens anders, zowel docenten als leerlingen. […] De rector is weer erg koel onachtzaam en ontzettend vervelend. Je hebt op die man gewoon geen vat. En als bij al die nare dingen dan ook nog de Griekse lessen van Roggeveen komen, is het helemaal om razend te worden. Dan zeg ik weer: Wat doet het er eigenlijk toe.’
Op school zet Adri alle zeilen bij. Ondanks de vele beperkingen is er ruimte voor een uitje naar het planetarium, ‘erg indrukwekkend en mooi. Alleen over het uitdijend heelal en die spiraalnevels begreep ik niet goed’, is er opnieuw de dreiging dat jongens worden weggevoerd.
24 juni ’43: ‘Ik werk en werk en werk… met slechte resultaten. Ik denk dat ik dit jaar de kaap niet haal. Stereo, Grieks en misschien Frans onvoldoende. O bah, als bij al die ellendige dingen ook een keer blijven zitten moet komen.’
Op de laatste schooldag wordt uit Pallieter van Felix Timmermans voorgelezen, ze geniet met volle teugen. Vervolgens is de opluchting is groot als ze te horen krijgt dat ze over is, al heeft ze een taak voor Grieks.
De promotie vindt Adri ‘meer dan belachelijk. De rector zei met uitgestreken gezicht dat we over waren en dat hij wel vond, hoor hem, dat de Lyceisten [onder wie Adri dus] hard gewerkt hadden. Vervolgens kregen we de rapporten en werden verzocht te verdwijnen. Er zat nu net niets bij. Enfin, het is volkomen typerend voor het hele jaar, dat ik nu op het Gym heb doorgebracht.
Er is een aanval op Sicilië begonnen. Zou dit nu werkelijk het begin van het einde zijn op korte termijn? Het is wel zeer hoog nodig.’
Erg Kralings
Als haar taak voor Grieks is volbracht begint na de vakantie het nieuwe schoolseizoen. 14 september ’43: ‘Ik zit alweer een paar dagen op school, VIde! Soms gaat het wel goed b.v. bij Grieks, maar Latijn is vreselijk. Zo even nog heeft Kampstra me grammaticaal weer eens helemaal uitgekleed. Echt flauw omdat hij weet dat hij je daarmee kan dood gooien. Het werkt zo ontzettend deprimerend. Toch wil ik me door hem niet laten “kisten”. We zullen eens zien of ik dat in orde kan krijgen. De klas is nu wel erg leuk, maar erg Kralings. Enfin, ik hoop dat het toch goed zal gaan.’
Op 26 oktober volgt dan weer een domper: ‘Vanmorgen een vreselijk slechte Homerusvert. teruggekregen. Naar aanleiding daarvan vroeg ik aan v.d. Velde wat ik eraan moest doen. “Wachten”, zei hij. “Jullie (lyceïsten) horen hier nu eenmaal niet. De school heeft de verantwoordelijkheid nu op zich genomen, dus misschien wordt er ook iets aan gedaan.” […] Bah, je zou er zo de brui aan willen geven. Maar ja, zo kom je er ook niet.’
Tussen de bedrijven door probeert Adri zich een beeld te vormen van haar toekomst, na het examen. 15 januari ’44: ‘Ik weet het niet. […] Eigenlijk zou je, om je keus te kunnen bepalen eerst moeten weten wat “leven” eigenlijk is, het doel, de bedoeling daarvan. En dan in die lijn iets doen. Maar dat is zo ontzettend moeilijk, bijna niet te benaderen.’
Belangrijk en fijn zijn de toneelstukken die op school worden ingestudeerd en uitgevoerd. Zo geniet Adri in het Odeon aan de Gouvernestraat op 29 januari ’43 van het blijspel ‘Hotelratten’, waarbij klasgenoot Hans Dijkers tussen de bedrijven door stukken uit Carmen op de piano speelt. Dat een ‘lyceummeisje’ ook wel eens complimenten krijgt, blijkt uit de getuigenis van curator Burgerhout, juli ’44, in een Résumé over dat schooljaar: ‘Deze middag-uitvoering is zeer geslaagd. Een der meisjes van het lyceum toonde zich een geboren actrice […] Op dit feest voelden leerlingen en leraren zich weer nauw verbonden East and West ontmoetten hierbij elkaar weer, zij het dan ook in het sjofele Odeon’.
De Ballade van zes alpha
1 maart ’44: ‘Vandaag hadden we een stereo proefwerk. Na erg lang te hebben getwijfeld, heb ik Lewis [Suermondt] gevraagd of hij mij misschien wat zou willen helpen. Hij zei dat hij het graag wou doen. Ik ben aan de ene kant erg blij dat ik het gedaan heb, want hij heeft me reuze fijn geholpen, heel gewoon, echt fijn. Toen hij wegging bleek dat hij wist dat ik voor mijn Vergilius vertaling voldoende had. Dat was erg leuk voor mij. En de andere kant vind ik het niet zo prettig, omdat ik weet of in ieder geval geloof, dat ik hem niet zomaar met het een of ander zou kunnen helpen. Dat zou ik toch zo dolgraag willen.’
Er zijn veel zieken op school, geregeld bestaat de klas uit minder dan tien leerlingen. Maar ziekte is niet altijd de reden van afwezigheid. Zo blijkt dat Lewis onverwacht naar de Hollandsche Landbouwschool in Deventer is gegaan, omdat hij als jongen daar veiliger onderdak heeft dan in Rotterdam.
Intussen vallen er nogal wat onvoldoendes en stelt Adri alles in het werk om ‘de kaap te halen’.
En tussen dat werken door is er ook nog wel een feestje, zoals op zaterdag 22 april, bij Jan van Leeuwen thuis: ‘Het was een enig feest. We hebben elkaar verhalen voorgelezen of het een of ander voorgedragen, muziek gemaakt, gezongen, gepraat. Iets heel bijzonders was Hayo met zijn saxophoon, een sopraansax. We hebben er ontzettend om gelachen.’
Voor de gelegenheid heeft Jan van Leeuwen ‘De Ballade van Zes alpha’ geschreven:
Wat was voor ons een week? Wat was voor ons de tijd?
Wat bekommerden wij ons om ’s werelds grootste strijd
De aardkorst dreunde om ons heen
Voor ons was er 6α slechts alleen
Vliegtuig geronk, bombarderen werd gehoord
Maar 6α werkte voort!
Ja, eens trof ons allen een vreselijk gerucht
Een onzer voerden ze naar Vught
Voor deez’ gedachte zijn wij toen bewaard
Neen, 6α was niet het enigst’ op aard’
Maar hoeveel mensen er werden vermoord.
6α werkte voort!
Maanden kwamen, maanden gingen voorbij
Wij kenden nog slechts een machtwoord: “d’r bij!”
Wij hoopten dat ons zwoegen eens werd beloond
Door een goede uitslag zou worden bekroond
Xerxes Augustus Napoleon enzovoort
6α werkte voort!
En zo lang deze wereld nog mag bestaan
Durven wij allen ons werk nog aan
Wij zullen lachen, maar ook strijden
6α overwint ook deze tijden
Voor ons geldt ook nu nog dit ene woord
6α werkt nog voort!
Jan van Leeuwen
Limonade aan de Plas
En als op 13 mei de laatste schooldag is geweest trekt Zes alpha, in afwachting van het examen, erop uit: ‘Vandaag hebben we de laatste schooldag gehad. Zal het werkelijk de laatste zijn?…
We zijn met de hele klas (de jongens verkleed) er de hele morgen op uitgetrokken. De rector heeft het erg onsportief behandeld en heeft ons toen we om half 11 naar school kwamen weggestuurd. Toen zijn we limonade gaan drinken aan de Plas, reuze gezellig. Soms waren Dien [Kooiman] en Hayo [de Boer] weleens een beetje grof, maar het was toch erg leuk. Later zijn we naar school gegaan, om een uur en hebben de leraren toegezongen. Kampstra lachte wiens caricatuur we voor ons uitdroegen! Alleen directeur kwam niet voor de draad. Toen zijn we naar v.d. Velde gegaan met de tram, maar deze was er in het geheel niet van gediend en was woedend. Belachelijk gewoon. Ik ben benieuwd wat er maandag zal gebeuren als we voor gesch. nog naar school moeten. De hele morgen liepen we gearmd om en om met de jongens op grote rijen. Tenslotte bleven Rudy [Fockens] en ik alleen over, die me gearmd en wel naar huis gebracht heeft. Dat was vreselijk leuk.’
De feestvreugde wordt flink getemperd als na weken van hard blokken dan toch op 6 juni blijkt uit te komen waar Adri zo bang voor was: ‘Ik ben gezakt; het is dan toch gebeurd. O, wat is het vreselijk. Het ergste vind ik om weer een jaar op dat gym te zitten met vreemde kinderen die mij niet kennen en die me ook niet aangaan. Verder vind ik het ellendig voor Lewis, Rudy, die zelf ook gezakt is, en voor iedereen, vader en moeder. Vreselijk. […] Het enige is dat ik nu volgend jaar niet zo reikhalzend hoef te werken, zo ontzettend hard, zodat ik mezelf kan ontwikkelen en trachten door al die dingen beter uit te groeien want door alleen maar te ploeteren word je geen mens. Ik ben gezakt op 5 1/3 voor Grieks, met op het kantje dus.’
Dat het zo op het nippertje is maakt het moeilijk verteerbaar.
Harde ploffen en dreunen
Als het nieuwe schooljaar voor haar ligt, is het voor Adri opnieuw wennen geblazen in een nieuwe groep. Bovendien ontstaat er steeds meer schaarste op alle fronten, in de voedselvoorziening, in de telefoonverbindingen, trein- en tramverkeer. Dat laatste is een reuzestrop, want: ‘fietsen kun je vanwege het vorderen ook niet meer. Enfin, waarschijnlijk nog maar een paar dagen. Op school is het nog erg onwennig, net of ik er niet bij hoor, Alleen als gast of zo. Er zijn wel leuke kinderen bij zoals Lot v.d. Pot maar over het algemeen nog erg klein. Ik voel tenminste een enorme afstand.’
27 september ’44: ‘Ik ben sinds Maandag niet meer op school vanwege de toestand. De trams rijden slechts tot 10 uur dus ik zou aldoor terug moeten lopen. Bovendien steek je op school toch niets op nu, en zijn er slechts 7 meisjes van de hele klas (28). Nu heb ik het dus maar opgegeven, vooral ook omdat ik een cursusje kan volgen in verband met de naoorlogse toestand. Verder werk ik wat thuis. De strijd vordert slechts langzaam en staat bij Arnhem, waar vreselijk gevochten is, helemaal stil. Intussen laten ze hier alle kranen, pakhuizen en kaden springen. Aldoor hoor je harde ploffen en dreunen. Zo gaat nu onze hele haveninstallatie eraan. Vader vermagert op het ogenblik zienderogen en daar doet dit laatste niet veel goed aan.’
De cursus die Adri volgt is er eentje als helpster van het Rode Kruis. Dit is goed te combineren met haar doublurejaar en het geeft het gevoel dat ze zich nuttig kan maken. Intussen is er ook veel oorlogsgeweld om haar heen, 25 oktober ’44: ‘Gisteren zijn vele mensen doodgeschoten. Hun lijken bleven op straat liggen. Vanmorgen heb ik er ook een paar gezien. Vreselijk, ik was er helemaal van in de war. Is dit nu ook volgens Gods wil?… Ik kan het niet aanvaarden hoe zo iets mogelijk is.’
En op 1 november ’44: ‘Op school is het vreselijk vervelend. Het is nu 1 Nov. en nog geen verwarming. Verschrikkelijk koud! Nu we ’s avonds om half tien in bed moeten liggen vanwege de electriciteit kom ik eigenlijk tijd tekort. Wel sta ik steeds om 6 uur op. Vanmiddag moet ik examen doen voor rode kruis helpster. Griezelig. Ik zal blij zijn als het voorbij is. Ik krijg dan weer wat meer tijd.’
De situatie voor de jongens wordt steeds moeilijker en gevaarlijker en de voedselvoorziening benarder; de hongerwinter dient zich aan. Ook al probeert Adri lichtpuntjes te zien, bijvoorbeeld in de bijlessen in Plato en Tacitus die ze twee keer in de week geeft aan Peter Mees, de jongere broer van D., ze voelt ook hoe ze afstompt en hoe moeilijk het is om alles vol te houden.
11 maart ’45: ‘Alweer hebben we aan den lijve gemerkt, hoe licht er met mensenlevens omgesprongen wordt. 20 mensen werden vanmorgen gefusilleerd in het openbaar op de Coolsingel, om daar enige tijd met een smadend bordje te blijven liggen. Dit alles voor de moord op één Duitser. Vreselijk, vreselijk.’
Ze probeert troost te vinden in een tekst over ‘Gemoedsrust’ van Horatius.
Vijf fatale schoten
Als Nederland dan eindelijk is bevrijd op 5 mei, hetgeen op een heel verwarrende en chaotische manier ook een dag later in Rotterdam het geval is, schrijft Adri op 6 mei 1945:
‘Sinds een week precies is alles aan het ineenstorten en vandaag is ook voor R’dam de capitulatie afgekondigd. Het heeft zich zo toegedragen: verleden week zondag na besprekingen vooraf, zijn Engelse en Am. begonnen levensmiddelen per vliegtuig naar onze provincies te brengen. Heel laag vlogen ze over en groetten, telkens nieuwe, honderden achtereen. Het was een reuze evenement. Allemaal stonden we op de daken te juichen en te zwaaien. Daarna kwamen ook schepen v. Engelsen door en auto’s uit het reeds bevrijde gebied met levensmiddelen voor de hongerden. Het was het begin van de redding. Toch hebben we nog de hele week in afwachtende spanning gezeten. Berlijn viel, er gebeurde niets, Hitler “sneuvelde”, alles bleef rustig, Mussolini werd gefusilleerd, het een volgde het andere op.
Tot Vrijdagavond de capitulatie werd afgekondigd voor Nederland, Denemarken en het hele z.g. Westelijke front. ’s Morgens om 8 uur zou het ingaan, Zaterdag 5 Mei. Helaas de Engelsen konden niet doorstoten, de Duitsers in Rotterdam en Dordt wilden zich niet overgeven en gingen met des te wilder wapengeweld tekeer, nu ze wisten dat het feitelijk toch voor hen was afgelopen.
Een van de vele slachtoffers die gisteren gevallen zijn, is ook David. O God, het is vreselijk. Wat voor een onverlaat de Duitser geweest is die dat gedaan heeft, weet ik niet, maar de euvele moed had hij om 5 schoten op hem te lossen. David was bezig het prikkeldraad uit zijn tuin weg te halen, heeft nog gevochten en is daarna op zijn vlucht neergeschoten.
O, ik kan het me nog niet goed realiseren dat David weg is, dood, helemaal uit het leven.’ Hoewel ze probeert het verlies van David op te vatten in het geheel van kommer en leed, valt het haar heel zwaar en kan ze niet de vreugde en blijdschap van de bevrijding voelen.
Tegenwicht tegen verruwing
Pas een maand na de bevrijding lijkt pas echt duidelijk te worden welke gruwelijkheden tijdens de oorlog zich in de concentratiekampen hebben afgespeeld. Op 7 juni ’45 schrijft Adri:
‘Vanavond stonden er vreselijke berichten in de krant: van de 140.000 Joden die voor de oorlog in ons land waren, zijn er nog 20.000 in leven. O God, hoe is het mogelijk. In speciale “Vernichtungslager” zijn ze afgemaakt. Vreselijk is het. […] Verder stond er dat er zeer spoedig 500.000 man voor Indië en Duitsland onder de wapenen zullen zijn. Als ik eraan denk, kan ik wel een beetje gaan zitten huilen. Lewis zal ook gaan, voor zover zijn lichamelijke toestand het zal toelaten tenminste. Van de week was ik bij hem. Hij was nog erg slap en zag er slecht uit. Ik heb reuze fijn met hem gepraat en hij beloofde eens naar me toe te komen. Ik moet er niet aan denken, dat hij ook zou moeten gaan vechten. En afgezien van Lewis, dat alle mannen en jongens die nu net uit Duitsland komen en nu de oorlog in zullen gaan. O, ellendig vind ik het. Als Japan het toch maar eens voor die tijd zou opgeven, over een paar maanden of zo. God geve onze jongens kracht en geloof in deze moeilijke tijd en een tegenwicht tegen deze vreselijke verruwing, zodat ze niet zonder idealen en geknakt terugkomen voor hun leven.’
Geen examen en toch een diploma
In aanloop naar het einde van het schooljaar heerst er veel onduidelijkheid over het examen. Komt er wel een examen of niet? Er zijn al zoveel lessen uitgevallen en in de roerige dagen rond de bevrijding wordt de onzekerheid alleen maar groter. Maar dan eindelijk komt het bericht dat bij Koninklijk Besluit is bepaald dat alle eindexamenkandidaten van het schooljaar ’44-’45 hun diploma zonder examen zullen ontvangen, tenzij kan worden aangetoond dat zij banden met de bezetter hadden onderhouden. 13 juni 1945: ‘Gisteren was het voor mij wel een heel bijzondere dag. ’s Middags kwam Rudy Fockens bij me, die vanaf 11 november in Duitsland had gezeten. Ik heb leuk met hem gepraat. Hij gaat medicijnen studeren en heeft een vaste wil gekregen. Toen we zo zaten te praten zei hij opeens: ik feliciteer je, je bent geslaagd. Er komen geen eindexamens, jullie krijgen zo je diploma! En het is waar! Heerlijk is het er nu in enkele weken vanaf te zijn. […] Zo is er dan wel ineens veel veranderd en ik kan me van dat eindexamen vooral nog haast niet voorstellen. Ik ga nu een heel nieuw leven tegemoet. Gisteren kreeg ik een oproep van Eudokia, om daar te komen werken als Rode kruis hulp. Dat ga ik dan eerst een maand ongeveer doen. Misschien later dan nog naar een vacantie kinderhuis ergens buiten. En dan de studie. Eerst moet ik daar nog eens grondig inlichtingen over krijgen. Dat zal ik nog wel zien.’
En daarmee eindigt dit verhaal. Adri gaat uiteindelijk naar de School voor Maatschappelijk Werk in Amsterdam en komt in een klas met uitsluitend meisjes van gymnasia! En al speelt het grote verdriet om de dood van David een enorme rol in haar leven, trouwt ze in 1950 met mijn vader. En kan ik nu dus dit verhaal tachtig jaar later doorvertellen: een verhaal over het schoolleven in oorlogstijd beleefd door een puber op zoek naar waarden en relaties die het leven de moeite waard maken.
Elseline Knuttel, september 2025
Bronnen
Oorlogsdagboekjes Adri Oosten, 1940-1945
Oostendorp, J.J. van en A. Schram Ouweneel (red.) (2003). Het Erasmiaans Gymnasium in de Tweede Wereldoorlog. Herinneringen van oud-leerlingen. Semper Floreat / Rijswijk, Elmar.
Pauw, J.L. van der (2006). Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog. Amsterdam, Boom.









