“Erasmus van Rotterdam aan heer Pieter, zijn broer, gegroet … Als je wilt horen hoe het met mij gaat, wel, ik houd zielsveel van je, zoals je ook verdient. Je naam ligt altijd op mijn lippen, ik draag je in mijn hart, ik denk voortdurend aan jou, ik droom van jou, ik praat dikwijls over je met mijn vrienden en met niemand vaker, vertrouwelijker en met meer genoegen dan met onze stadgenoot Servaas …” zo klonk het in 1487 in een brief.[i] Veertig jaar later, in november 1527, schreef dezelfde Erasmus van Rotterdam echter: “Bij de dood van mijn broer bleef ik volkomen rustig”.[ii] Wat ging er mis tussen deze twee broers en wat weten wij van hun afkomst?

Persoonlijk voel ik ook vanwege zijn voornaam wel sympathie voor Pieter, maar dat wij hem tegenwoordig nog kennen, heeft hij volledig te danken aan zijn jongere broer Erasmus. Heel weinigen immers hebben ooit van deze Pieter gehoord, zijn broer Erasmus daarentegen is nog steeds bekend, en terecht. Over hem schreef zijn vriend John Colet al in 1516: “De naam Erasmus zal nooit verloren gaan, maar je zult je naam onsterfelijke roem verlenen en zwoegend in Jezus zul je voor jezelf het eeuwige leven verwerven”.[iii] Over diens leven – tot Erasmus in Bazel op 12 juli 1536 overlijdt -, werken en ideeën zijn inmiddels boekenkasten vol geschreven. Hij inspireert nog steeds velen. Enkele jaren geleden verscheen weer een nieuwe lijvige biografie van Sandra Langereis[iv], die ook uitgebreid ingaat op Erasmus’ familie en zijn jonge jaren. In 2021 kwam er ook een Nederlandse vertaling[v] van Stefan Zweigs enthousiaste Erasmusbiografie uit 1934, waarin zijn blijvende betekenis nog eens werd benadrukt.

De speurtocht naar dit stukje familiegeschiedenis van twee vijftiende eeuwse broers is genealogisch interessant want Erasmus is zelf de belangrijkste bron. Helaas betoont hij zich niet steeds een eerlijke bron. Het doel van zijn levensbeschrijvingen is namelijk vooral om zijn eigen positie als onafhankelijk denker gedurende en na zijn leven versterken. Hij schrijft zijn eigen familiegeschiedenis vooral in zijn brieven. Soms is hij daarin persoonlijk, zoals in de hierboven aangehaalde teksten, soms ook juist heel afstandelijk. Sommige van zijn berichten blijken verzonnen, andere lijken waar te zijn.

De ruzie met broer Pieter

In 1516 schrijft Erasmus een lange brief[vi], die moet worden voorgelezen aan paus Leo X. In die brief legt hij in een vertelling over twee broers – in feite Pieter en Erasmus zelf – uit hoe hij tegen zijn zin priester werd. De paus zou erg begaan zijn met dit verhaal en daarmee bereikte Erasmus zijn doel, namelijk dat de paus hem uit zijn onvrijwillig aanvaarde priesterschap ontsloeg.

In die brief vertelt hij dat de broers als tieners hun ouders aan de pest hadden verloren. Hun voogden, die hun erfenis slecht hadden beheerd, wilden de jongens in een klooster  onderbrengen. De broers hadden afgesproken zich gezamenlijk tegen het priesterschap te verzetten. Toen werden hun de aantrekkelijkheden van het kloosterleven voorgespiegeld. “Hierdoor betoverd begon de oudste [Pieter] te weifelen en vergat wat hij herhaaldelijk gezworen had. De jongste [Erasmus] bleef desondanks bij zijn besluit. Om kort te gaan, de trouweloze [Pieter] liet zijn broer [Erasmus] in de kou staan, aanvaardde het juk en stak wat er nog over was stiekem in eigen zak. En het was niet de eerste keer dat hij zo te werk ging. En de zaak liep mooi voor hem af. Hij was immers even traag van geest als sterk van lichaam, altijd uit op gewin, doortrapt en slim, verzot op geld, een stevige drinker en ijverige hoerenloper. Kortom, hij verschilde zoveel van zijn jongere broer dat het een ondergeschoven kind leek. Voor zijn eigen broer was hij altijd een kwade geest.”

Het lijkt hier dus alsof de broers al in onmin met elkaar leefden op het moment dat zij in het klooster intraden. Maar bedenk dan dat de eerst geciteerde brief, waarin Erasmus zijn onvoorwaardelijke broederliefde etaleert, geschreven is nadat zij beiden in een klooster waren ingetreden. Dus ofwel Erasmus heeft de scène die aan zijn intreden vooraf zou zijn gegaan later bedacht, of hij heeft het verhaal naderhand zwaar aangezet.

Over zijn ouders

Later – in 1524 – schrijft Erasmus, weer als onderdeel van een brief[vii], zijn zogenaamde Compendium vitae, een “Verslag van heel mijn leven, echt een Ilias vol rampen: want er is nooit een schepsel geboren dat ongelukkiger was dan ik”, met de opdracht dit verhaal met niemand te delen. Deze tekst is dan ook pas lang na zijn dood bekend geworden. In dit verhaal is geen plaats meer voor zijn broer Pieter.

Stamboom van Pieter en Erasmus

“Hij is in Rotterdam geboren” schrijft Erasmus over zichzelf, “in de nacht van 28 oktober. Zijn moeder Margareta kwam uit Zevenbergen. Met haar had zijn vader Gerard, de zoon van Elias en Catherina, een verborgen verhouding; het stel wilde trouwen. Zijn ouders en broers vonden echter dat hij priester moest worden. Dus ging Gerard in arremoede op reis met het plan nooit meer terug te komen. Zijn achtergebleven bruid was zwanger. Hij kwam in Rome, waar hij werkte als kopiist. Daar kreeg hij het valse bericht van zijn ouders dat zijn aanstaande overleden zou zijn. Daarop werd hij priester en wilde zich geheel aan de godsdienst wijden. Toen hij terugkwam, ontdekte hij het bedrog, maar hij raakte Margareta nooit meer aan. Wel zorgde hij dat zijn zoon beschaafd opgevoed werd …”.

Dit aandoenlijke[viii] verhaal over een dood gewaande geliefde, die bij thuiskomst springlevend blijkt met de kleine Erasmus op schoot, kan niet waar zijn, al was het maar omdat Erasmus de tweede zoon was van zijn ouders. Erasmus schreef het zo op omdat zijn vader op enig moment priester werd en hij op die manier hoopte te voorkomen dat zijn geestelijke nalatenschap zou lijden onder de betichting van een zondige geboorte: hij suggereert dat hij verwekt werd toen zijn vader nog geen gelofte had afgelegd.

Ook dit verhaal van Erasmus is dus tenminste gedeeltelijk verzonnen, maar gelukkig zijn recent documenten met betrekking tot Gerard, de zoon van Elias – dus de vader van Pieter en Erasmus – aan het licht gekomen, die het mogelijk maken een aannemelijke schifting aan te brengen tussen feiten en fictie in Erasmus’ Compendium vitae. Eind vorige eeuw bleek namelijk uit oorspronkelijke bronnen dat Gerard Eliaszoon van Rotterdam, in 1457 en 1458 als kopiist in Italië werkte.[ix] En enkele jaren geleden doken documenten op, die laten zien dat deze Gerard Eliaszoon van 1471 tot 1476 vice-pastor in Woerden was vanwaar hij naar Gouda vertrok.[x] Deze laatste bron ontkracht tevens definitief de lang verbreide Goudse claim, dat Erasmus weliswaar in Rotterdam geboren is, maar in Gouda verwekt zou zijn.

Zo lijkt het er dus op dat Gerard van Rotterdam, de zoon van Elias op enig moment priester werd en eind jaren 1450 in Italië was, waarna hij terugkeerde naar zijn geboortestad. Daar woonde hij tot 1571 samen met de Brabantse Margareta[xi] met wie hij een blijkbaar niet zo verborgen verhouding had, waaruit immers twee zonen geboren werden, eerst Pieter en daarna Erasmus. In 1471 verhuisde het viertal naar Woerden en vijf jaar later naar Gouda. Dat priesters geacht worden celibatair te leven, stond daar in de Hollandse cultuur van destijds blijkbaar het jonge geluk van Margareta en Gerard niet in de weg. Helaas werd Erasmus later in zijn carrière toch door zijn tegenstanders wel aangekeken op zijn ‘illegale’ geboorte en dit bracht hem er vermoedelijk toe ware feiten over zijn vaders Italiaanse reis te combineren met het verzinsel dat hij als eerste en enige kind tijdens die afwezigheid van zijn vader geboren zou zijn.

Erasmus vermeldt in zijn Compendium vitae niet zijn geboortejaar, maar zegt wel dat zijn geboorte “vermoedelijk 57 jaar geleden” was. Over het juiste geboortejaar bestaat nog steeds geen eenduidigheid. Het moet gelegen zijn tussen 1466 en 1469. Erasmus suggereert zelf dus 1466, maar voor zijn verhaal dat zijn vader nog geen priester was, toen hij hem verwekte, komt een antidatering hem wel goed uit. Langereis acht 1469 het waarschijnlijkst bijvoorbeeld op grond van het overlijden van Erasmus’ ouders aan de pest toen hij 14 jaar was; vastgesteld is dat er in 1483 een hevige epidemie heerste.[xii] Ook met betrekking tot de precieze plek van zijn geboorte bestaat geen absolute zekerheid, maar men houdt het erop dat zijn geboortehuis gelegen was aan de Nieuwe of Wijde Kerkstraat.[xiii] Dit was vermoedelijk destijds inderdaad nieuwbouw in een nieuwe straat, want ook toen ging het centrum van Rotterdam op de schop: in de jaren 1450 en 1460 werd de vlakbij gelegen Laurenskerk gebouwd en vervolgens meteen flink uitgebreid Dat betekende ook dat de omliggende straten en waterlopen aangepast moesten worden.

Over zijn vader schrijft Erasmus in zijn Compendium vitae: “Gerard zette zich in Rome tot passende studiën. Hij schreef goed Grieks en Latijn. En ook in het recht maakte hij flinke vorderingen. Want in Rome floreerden toen wijze mannen”. En van zijn moeder weet hij te melden dat zij de dochter is van een arts Pieter. Niet over elke medicus is Erasmus even tevreden. Wel schrijft hij: “Nu strekt de medische zorg zich niet alleen over het lichaam uit, het lagere bestanddeel van de mens, maar vooral over de mens in zijn geheel, ook al neemt de arts zijn vertrekpunt bij het lichaam zoals een theoloog dat doet bij de geest”.[xiv] Vader en moeder vullen elkaar dus goed aan. 

De jeugd van de broers

De oudste zoon, Pieter, is blijkbaar vernoemd naar zijn grootvader van moederszijde en de tweede, Erasmus, naar de favoriete heilige van zijn vader: Sint Erasmus, die een engelenhand naar Italië zou hebben gedragen en die na zijn marteldood onder keizer Diocletianus de patroonheilige van de zeelieden werd.

Als zoon van een artsendochter en een theoloog schrijft Erasmus: “Zijn vader zorgde ervoor dat hij beschaafd opgevoed werd en stuurde hem nauwelijks vier jaar oud naar school om letteren te leren. De eerste jaren vorderde hij weinig met de onsympathieke teksten, waarvoor hij niet in wieg was gelegd. In zijn negende jaar stuurde zijn vader hem naar Deventer; zijn moeder ging mee om voor hem te zorgen vanwege zijn prille leeftijd”[xv]. Kennelijk vond hij dat zijn ouders in lijn met hun eigen achtergrond inhoudelijk en zorgzaam het beste met de opvoeding van hun zonen voorhadden. En hij had zich heel jong blijkbaar al een uitgesproken mening gevormd over ‘onsympathieke’ teksten, die misschien wel bijdragen tot de letteren maar niet tot deugd[xvi].

Helaas woedt er tijdens Erasmus’ jaren in Deventer “als hij in zijn veertiende jaar is”, een pestepidemie, waarvan eerst zijn moeder slachtoffer wordt. Alle leerlingen worden uit Deventer naar huis – voor Pieter en Erasmus was dat Gouda – gestuurd vanwege de ziekte. Kort daarna sterft ook hun vader aan die ziekte. De erfenis van de broers wordt – zoals eerder vermeld – beheerd door voogden ook al hebben zij (volgens Erasmus’ Compendium vitae) van moeders zijde twee ooms in Dordrecht en van vaders zijde nog grootouders en negen ooms in leven. De voogden moeten voor hun verdere opleiding zorg dragen en sturen Pieter en Erasmus naar een kostschool in ’s Hertogenbosch. Maar zij willen al snel van hun verantwoordelijkheid af en besluiten de broers dus in augustijner kloosters onderbrengen: Pieter gaat naar het klooster Sion bij Delft en Erasmus kiest voor Stein bij Gouda, vermoedelijk vanwege de grote bibliotheek daar.[xvii]

Vanaf dat moment is er nauwelijks meer contact tussen de broers. Zij kiezen na hun jeugd samen elk een heel andere weg. Pieter lijkt als wees van ongeveer 20 jaar te besluiten voor zichzelf het leukste te halen uit het rauwe leven van die tijd. Zijn jongere broer Erasmus verwijt hem dat. Hij zet zich in om mensen tot goede mensen te maken en kiest ervoor zijn leven te wijden aan het bestrijden van de hypocrisie die hij overal om zich heen ziet. Die verbetenheid maakt hem niet gelukkig, maar wel de bekendste geleerde van Nederland met opvattingen over geloof, politiek, leiderschap en verantwoordelijkheid die in onze eeuw nog steeds actueel zijn.

Dit is een bijdrage van Pieter van der Hoeven, penningmeester Semper Floreat.


[i]      Brief 3.
De briefwisseling van Erasmus werd begin vorige eeuw geordend en in twaalf delen in het Latijn uitgegeven Opus epistolorum Des. Erasmi Roterodami  P.S. Allen, Clarendon Press, Oxford 1906-1959. Begin deze eeuw verschenen deze brieven in een twintig-delige Nederlandse vertaling De correspondentie van Desiderius Erasmus (diverse vertalers). Ad. Donker, Rotterdam 2004-2019.
Tijdens anders vermeld, volg ik hier steeds deze vertalingen.

[ii]     Brief 1900.

[iii]    Brief 423 van 20 juni 1516.

[iv]    S. Langereis Erasmus dwarsdenker De bezige bij: Amsterdam 2021

[v]     S. Zweig Triomf en tragiek van Erasmus van Rotterdam vertaald uit het Duits door B. van Kreel met een nawoord van T. Huttinga. Uitgeverij IJzer: Utrecht 2021

[vi]    Brief 447 van 15 augustus 1516. Erasmus herhaalt dit verhaal later in het voorjaar van 1525 in brief 1581a  die slechts indirect is overgeleverd.

[vii]   Erasmus Compendium vitae (opgenomen in brief 1437 van 2 april 1524); passages door mij geselecteerd en geparafraseerd.

[viii]  De Brit Ch. Reade was zo onder de indruk van dit verhaal dat hij in 1861 een dikke roman schreef The cloister and the heart over Erasmus’ ouders. Terecht wordt dit verhaal als fictie aangemerkt (al was het maar omdat de hoofdpersonen ’s avonds op en neer wandelen tussen Rotterdam, Gouda en Zevenbergen.

[ix]    G. Avarucci, Due codici scritti da ‘Gerardus Helye’ padre di Erasmo, Italia medioevale e umanistica 26, 1983 

[x]     K. Goudriaan, Erasmus en Gouda: een vluchtige relatie, De Schatkamer. Regionaal Historisch Tijdschrift Midden-Holland, 1 december 2017

[xi]    Men suggereert vaak dat Margareta de huishoudster was van Gerard, maar er is geen aanleiding om te veronderstellen dat Pieter en Erasmus geboren werden uit een verhouding die eerder uit een toevallige dienstbetrekking dan uit wederzijdse gevoelens tot stand kwam.

[xii]   S. Langereis op.cit.

[xiii]  R. van der Schans & L.L.E. Schlüter De plek waar eens de wieg van Erasmus stond Stichting Erasmushuis Rotterdam 2007

[xiv]  Erasmus Encomium medicae uit 1519, Lof der geneeskunde Vertaald door I. Bejczy, Ad. Donker, Rotterdam (1998).

[xv]   Erasmus Compendium vitae

[xvi]  Vermoedelijk was Caesar de eerste klassieke schrijver die ook hij las. In januari 1518 schreef Erasmus in brief 760 aan Anton van Bergen: “Van Caesar zul je de ware zuiverheid van de Romeinse taal leren, maar pas op dat je van hem niet de eerzuchtige dwaasheid van de oorlogvoering leert”.

[xvii] Dat ook Pieter naar Deventer en ’s Hertogenbosch gaat, zijn algemeen gedane aannames, immers Erasmus gunt zijn broer geen plek in zijn Compendium vitae. Zo ook de veronderstelling dat Pieter naar het klooster Sion gaat: Erasmus schrijft dat daar voor hem oorspronkelijk een plek was, maar dat hij uiteindelijk – zij het nog steeds tegen zijn zin – het klooster Stein koos.

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.