Nu Bouwien Bovenberg met pensioen gaat, besloot redactrice Rosalie Boddé om samen terug te blikken op haar tijd als docente klassieke talen, jaarleidster en rectrix. Ondanks dat ze het moeilijk vindt de school te verlaten, is ze blij om het stokje over te kunnen dragen aan de volgende generatie.

“U gaat met pensioen! Hoe gaat het met u?”

“Het gaat goed met mij, ondanks dat mijn tijd op het Erasmiaans langzamerhand afloopt. Ik neem nooit graag afscheid.”

“Wat vindt u moeilijk aan afscheid nemen van het Erasmiaans?”

“Het gaat om afscheid nemen van alles wat je samen doet. Met alle collega’s, alle leerlingen…”

“U had het in ons voorgesprek over een dubbel gevoel. Kunt u dat toelichten?”

“Ja, een dubbel gevoel, maar dat vind ik lastig om uit te leggen. Dat het ook een soort schuldgevoel is, van “je stopt”. Dat is de keerzijde van een verantwoordelijkheidsgevoel. Schuld misschien wel naar de samenleving dat je stopt, naar de school, terwijl: die school die draait prima door zonder mij, dat is het helemaal niet. Of een schuldgevoel naar jezelf. Onverklaarbaar…

Het is ook dat ik denk dat de school echt moet verjongen. We hebben best een grote groep docenten op leeftijd, maar we zitten ook in een tijdperk dat niet meer voor alles mensen te vinden zijn… Zolang we ze nu binnen kunnen halen moeten we dat doen. Nieuw talent, dat brengt weer een frisse wind en dat is goed.”

“Zou u dan zeggen dat u ouderwets bent?”

“Nee, maar er verandert natuurlijk heel veel in de maatschappij. Ook alle jonge mensen die nu opgeleid worden, worden op een heel andere manier opgeleid en dat is leuk om te zien. En die hebben weer kwaliteiten waar ik misschien wel jaloers op ben.”

“Mensen hebben het natuurlijk altijd over “die goeie ouwe tijd”…”

“Dat zeg ik niet hoor, dat het vroeger allemaal beter was, want je gaat mee met je tijd en elk kind mag zijn wie hij is. Je gaat met ze mee en als je iedereen ziet dan kan je er ook uit halen wat er in zit. Dan zie je ook: hé, daar zitten talenten, daar kunnen we mee verder! Dat helpt hem of haar ook weer, dat maakt het makkelijker.”

“Welke positieve én negatieve veranderingen heeft u de afgelopen twintig jaar meegemaakt op school?”

“Noch positief, noch negatief. Het is een nieuwe generatie, het is gewoon anders. Ook weer met zijn hele mooie kanten. Op een andere manier in het leven staan en naar dingen kijken. maar het is soms ook moeilijker. In de tijd van de mobieltjes, en de “het moet maar altijd goed zijn en fantastisch zijn”-tijd. En als ik niet zo ben als op dat filmpje, dan ben ik vast minder. Dat is helemaal niet zo, dat vind ik jammer. Daarom wil ik ook zo graag van de mobieltjes af in de school. De bewustwording van het feit dat je ook goed bent zonder al die onzin.”

“Welke verantwoordelijkheid voelde u daarin?”

“Je probeert daar een rol in te spelen als je de persoonlijke gesprekken hebt met de mensen. Het draait daar helemaal niet om. Het draait niet om het succes van een ander of hoe mooi een ander is, het draait om jou. En om wat er in jou zit, jouw inborst.”

“Ik moet meteen denken aan ons motto: ex pluribus unum (vert: uit velen, één). Heeft dat invloed gehad op uw rol als docent en als rectrix?”

“Dat motto, niet perse, want dat zit gewoon in je. Ook als het motto er niet was geweest, dan is het je persoon om op die manier om te gaan met je collega’s en je kinderen. Ik vind het wel heel mooi, maar het zit al wel in mij. Uiteindelijk is het ook het gevoel dat je het samen doet, met z’n allen, met elkaar, om er zo voor te zorgen dat zoveel mogelijk mensen een gelukkige schoolcarrière hebben. Ik kan het niet voor iedereen goed doen. Je raakt mensen kwijt, en daarin moet je altijd kijken, hebben we genoeg voor de leerling gedaan, of hadden we dingen anders kunnen doen? Soms denk je misschien ook wel, hadden we het anders wel gered? Dat kun je niet met zekerheid zeggen, maar ik ben wel iemand die het altijd blijft proberen tot het laatst.”

“Een echte doorzetter, dus?”

“Ja een echte doorzetter. Je kunt soms kinderen met wie het minder goed gaat ook helpen door iets anders voor ze te zoeken om erbij te gaan doen. “Hé, zou je dat leuk vinden binnen de school om te doen?”, waardoor er ineens helemaal weer een groei komt. Dan gaat een kind op een andere manier bloeien, waardoor hij de rest ook weer beter oppakt. Dat geloof ik ook bij de talenten van kinderen die topsporters zijn, of topmuzikanten, die doen twee dingen heel erg goed. Dat komt omdat ze het éen misschien nog wel iets leuker vinden dat het ander, maar ze willen het beide op hoog niveau doen.”

“Hoe bent u eigenlijk op het Erasmiaans terecht gekomen?”

“Wij kwamen in Rotterdam wonen en toen ben ik gaan werken op het Emmaus en op het Libanon. Aan het eind van het jaar kon ik een keuze maken tussen de twee, en toen heb ik het Emmaus gekozen. Daar heb ik een heel leuke tijd gehad, maar ik kreeg ook elk jaar de vraag van het Erasmiaans: “Wil je niet hier komen werken?”. En ik dacht, waarom zou ik dat doen? Ik heb het op het Emmaus prima naar mijn zin! Totdat ik me realiseerde dat ik op het Emmaus nooit iedereen leerde kennen, want ik kreeg nooit leerlingen uit de havo of van het atheneum. Ik vind het ontzettend belangrijk om daar waar je werkt, iedereen te kunnen leren kennen. Dat is op het gymnasium natuurlijk wel zo, want die volgen allemaal ook jouw vak. Toen kwam ik hier en toen kreeg ik al heel gauw de vraag of ik jaarleider wilde zijn van klas 3. Dat heb ik gedaan en dat vond ik superleuk, samen met het lesgeven en het mentoraat. Daarna kwam de vraag of ik de tweede klas er ook bij wilde doen en zo werd het steeds meer naast het lesgeven, want dat bleef ik ook altijd heel leuk vinden. Nu geef ik nog les aan één klas. Ik vind een rector die op een school geen lesgeeft heel raar.”

“Waarom vindt u dat raar? Ik heb het idee dat dat op heel veel scholen wel gebeurt.”

“Dat snap ik niet, want je wilt meemaken wat je collega’s meemaken en de leerlingen blijven kennen.  Je wilt weten wat ze meemaken, wat er in hen omgaat, hoe zij de dingen ervaren, of jij ze weer van een andere kant ziet. Dat zou niet het geval zijn als ik geen lesgaf.”

“Dat raakt aan wat ik in het bijzonder aan u bewonder: uw persoonlijke betrokkenheid. Bijvoorbeeld het kennen van bijna alle namen van de leerlingen… Waar komt deze betrokkenheid vandaan?”

“Omdat ik de mens waardeer. Het persoonlijk contact vind ik ontzettend belangrijk. Mij zou je niet op een kamertje moeten opsluiten om alleen maar beleidsstukken te schrijven. Ik vind de band die je probeert op te bouwen… ’s Ochtends sta ik bijvoorbeeld altijd beneden bij de deur en soms zie je dat een kind anders binnenkomt dan dat hij normaal binnenkomt. En dan denk ik: “Hé, zou er wat zijn of…?” Dan ga je praten om te kijken of wat je ziet ook klopt. Ik hou dat wel in de gaten.”

“Als u dan merkt dat het inderdaad niet zo goed gaat met een leerling, vindt u het dan moeilijk om zoiets los te laten als u naar huis gaat?”

“Als je het niet goed afsluit wel, maar ik denk ook dat je in de loop der tijd dat je een leerling helpt ook wel de mogelijkheden gaat zien, de wegen die een leerling kan bewandelen. Als je dat bespreekt, kan een leerling toch op een andere manier weer weggaan dan hij anders was weggegaan. Maar goed, er is natuurlijk altijd een zorg, bij iedereen. Reken maar dat er achter elke voordeur wat speelt. Je neemt die zorg altijd mee. Dat is niet perse moeilijk, maar meer meedenkend: hoe kunnen we hem of haar het best helpen? En ik zie natuurlijk ook niet alles.

“Van de dingen die er zijn veranderd de afgelopen jaren op het Erasmiaans… Wat is er veranderd waar u blij mee bent? Wat zou u uw opvolger mee willen geven?”

“Ik denk dat er rust is in de school. En wat de volgende rector ziet, dat gaat hij oppakken. Want niemand doet het op de manier waarop jij het doet en gelukkig ook maar. En dat bedoel ik ook met een nieuwe generatie binnenlaten. Het brengt weer heel andere dingen met zich mee. En wat ik leuk vind nog altijd aan de school zijn al die tradities, al die mogelijkheden voor elke leerling. Als je het leuk vindt om te debatteren dan kan dat. Je kan bij het EEP, EEYP, EEPD, naar het MUN, je hebt de debatclub. Vind je het leuk om iets extra’s te doen met de talen? Het kan allemaal. Je kunt meedoen met olympiades. Toneel is er, muziek is er; dat zijn ook allemaal eindexamenvakken. We hebben net weer Erasmiaanse namen gehad. De dodenherdenking. Eigenlijk is het zo indrukwekkend. Dan zijn er drie lezingen van iemand die over zijn leven vertelt in de oorlog, en de aula is muisstil. Drie sessies lang. Dan zitten ze gewoon een uur geconcentreerd te luisteren. En ze kunnen dat! Soms denken we dat ze het niet kunnen, maar ze kunnen dat. Wij moeten ze boeien om dat voor elkaar te krijgen, maar er staat daar iemand die met respect wordt behandeld.”

“Is dit onderscheidend voor het Erasmiaans?”

“Nou, omdat het al zolang gebeurt, weet iedereen dat het er is. Het open podium, de bandjesavond, de schoolkrant en dat soort dingen zijn er ook op andere scholen. Dat geloof ik wel, maar het blijft áltijd en het wordt altijd een stukje beter. Het verrijkingsproject, het Honours-program… Dat zijn allemaal dingen die in de loop van de tijd ontstaan zijn en die het voor mensen ook leuker maken. Waarbij je in eerste instantie denkt, moeten ze dit wel leren? Leerlingen kunnen dan ook zichzelf aanmelden. Je kunt ze ook over het hoofd zien en dat een leerling dan denkt: “Waarom ik niet?” Nou, waarom eigenlijk niet? Kom er ook bij! Maar het feit dat je denkt: “Ik hoor daar ook bij!”, dat vind ik ook mooi. Iemand haalt misschien wel zesjes, omdat je hem niet genoeg uitdaagt. Als je maar weet dat iemand ermee loopt of dat je erin mee kunt denken, dat je dan iemand dat stapje verder kunt helpen.”

“Vindt u het niet tegelijkertijd ook een valkuil, dat er zoveel mogelijkheden zijn?”

“Dat kan. Het is natuurlijk een vrijheid, maar ook een beperking. Iemand die het aankán, die moet het ook vooral dóen. Maar zie je dat het z’n valkuil wordt, dan moet je ook kunnen zeggen: “Nou, even niet. Misschien op een ander moment weer, maar we gaan nu even een stapje terug om even te kijken naar wat we dan moeten doen.” Dus het is een valkuil en tegelijkertijd ook zorgen dat je het weer oppakt. Zo heet het ook hè, met vallen en opstaan. Soms heb je zelfs een leerling die zegt: “Ik heb me in de eerste klas eigenlijk verveeld. Ik zit nu in de tweede, maar zou eigenlijk naar de derde willen.” Pittig. Dan zeg je: “Start even in de tweede met een paar vakken van de derde klas.” Dan kijken we aan het eind van de maand even hoe het ervoor staat. Zo kunnen we langzaam stapjes zetten. En alleen al dat dat vertrouwen gegeven wordt…”

“Om het af te sluiten: Wat is het advies dat u zou geven aan de leerlingen en aan de nieuwe rector?”

“Aan de leerlingen… Blijf nieuwsgierig en laat je uitdagen. Je mag de ander ook uitdagen. Toon die initiatieven. Doe het samen. Samen maken we het alleen maar beter en sterker in een wereld die best complex is. Blijf jezelf.

En aan de nieuwe rector… Laat je verrassen. Sta open. En wees er voor iedereen, maar dat zal mijn opvolger ongetwijfeld ook doen. Ik denk dat het hele mooie stappen zijn die deze rector kan zetten, en dat de rector samen met meneer Melsert en de staff elkaar goed aan kunnen vullen.

Tot slot zou ik graag van dit podium gebruik willen maken om iedereen te bedanken dat ik hier zolang heb mogen werken. Ik ben rector geweest in eer en geweten. Alles wat je doet, doe je in eer en geweten, vanuit een goed hart. Bedankt!”

De bel gaat.

Word nu lid van Semper Floreat en maak het werk van dé oud-leerlingenvereniging van het Erasmiaans mede mogelijk.